Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ7907

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-05-2011
Datum publicatie
16-06-2011
Zaaknummer
09-3161 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering is terecht. Overschrijding vermogensgrens. Schending inlichtingenverplichting. In de gemeente Oegstgeest geldt geen specifieke regeling op grond waarvan een extra vermogensvrijlating wordt gegund als voorziening voor uitvaartkosten. In de rechtspraak is aanvaard dat door de gedecentraliseerde uitvoering van de WWB, verschillen kunnen ontstaan, bijvoorbeeld in die zin dat in de ene gemeente niet en in een andere gemeente wel een voor de belanghebbende begunstigend buitenwettelijk beleid wordt gevoerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/3161 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 27 april 2009, 08/7623 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Oegstgeest (hierna: College)

Datum uitspraak: 31 mei 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.H. Dormeier, advocaat te Leiden, hoger beroep ingesteld. Nadien heeft mr. P.J.W. de Water, advocaat te Katwijk aan Zee, zich voor appellante gesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 april 2011. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. De Water. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. A.C.M. Goud en mr. J. van Doorn, beiden werkzaam bij de gemeente Oegstgeest.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante heeft over de periode van 1 oktober 2007 tot en met 31 december 2007 een uitkering ontvangen ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) ontvangen.

1.2. Op 15 februari 2008 heeft het College een belastingsignaal betreffende appellante ontvangen. Daaruit bleek dat zij op 31 december 2006 beschikte over een bankrekening bij Robeco Direct B.V. met een saldo van € 13.608,--. Appellante heeft deze bankrekening bij haar aanvraag om bijstand van 24 oktober 2007 niet aan het College gemeld. Naar aanleiding hiervan is een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader is dossieronderzoek verricht en zijn inlichtingen ingewonnen bij appellante. Vervolgens heeft een nadere vaststelling van het vermogen van appellante per 1 oktober 2007 plaatsgevonden.

1.3. Bij besluit van 21 mei 2008 heeft het College de bijstand van appellante over de periode van 1 oktober 2007 tot en met 31 december 2007 herzien (lees: ingetrokken) op de grond dat appellante beschikte over vermogen boven de voor haar geldende grens van het vrij te laten vermogen en dat appellante van dit vermogen geen mededeling heeft gedaan aan het College. Tevens heeft het College de over de hiervoor genoemde periode gemaakte kosten van bijstand van appellante teruggevorderd tot een bedrag van

€ 2.939,33.

1.4. Bij besluit van 2 september 2008 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 21 mei 2008 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 2 september 2008 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Het College heeft vastgesteld dat, rekening houdend met het eerdergenoemde banksaldo, het vermogen van appellante € 5.134,84 hoger was dan het voor haar geldende bedrag van het vrij te laten vermogen. Appellante heeft deze vaststelling in cijfermatig opzicht niet bestreden, maar stelt zich op het standpunt dat van een rechtens relevante overschrijding van de vermogensgrens geen sprake is omdat het hier gaat om een bedrag dat was bestemd en gereserveerd voor de uitvaartkosten van haar ouders. Daarbij heeft zij vermeld dat haar ouders in het buitenland wonen, op leeftijd zijn en over een broze gezondheid beschikken, dat de uitvaartkosten ten minste € 3.000,-- per persoon zullen bedragen en dat haar familieleden ter plaatse deze kosten niet zullen kunnen dragen. Deze beroepsgrond treft geen doel. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank het College terecht gevolgd in zijn standpunt dat de door appellante bedoelde reservering voor uitvaartkosten niet valt onder de in artikel 31, tweede lid, van de WBB opgesomde middelen die niet tot de middelen van de belanghebbende worden gerekend, en evenmin als uitgezonderd vermogen is opgenomen in artikel 34, tweede lid, van de WWB. De Raad merkt verder op dat de onderhavige bestemming van het banksaldo voor de toepassing van de WWB niet relevant is, nu het hier gaat op een uitsluitend op naam van appellante staande bankrekening en appellante vrijelijk over het saldo van die bankrekening kon beschikken. Het gehele saldo van de Robeco-rekening van appellante moest ten tijde hier van belang dus worden gerekend tot de middelen waarover zij beschikte of redelijkerwijs kon beschikken.

4.2. Ter zitting van de Raad is gebleken dat in de gemeente Oegstgeest geen specifieke regeling geldt op grond waarvan een extra vermogensvrijlating wordt gegund als voorziening voor uitvaartkosten. Appellante heeft aangevoerd dat sprake is van rechtsongelijkheid, aangezien diverse gemeenten in Nederland een dergelijke regeling wel kennen. Nog daargelaten dat appellante niet heeft aangetoond dat in die regelingen een zodanige voorziening ook wordt toegestaan met het oog op door de belanghebbende voor de uitvaart van zijn of haar ouders te maken kosten, overweegt de Raad hierover dat de WWB gedecentraliseerd door de gemeenten wordt uitgevoerd en dat in de rechtspraak is aanvaard dat daardoor verschillen kunnen ontstaan, bijvoorbeeld in die zin dat in de ene gemeente niet en in een andere gemeente wel een voor de belanghebbende begunstigend buitenwettelijk beleid wordt gevoerd. Ook deze beroepsgrond slaagt dus niet.

4.3. Appellante heeft noch in het kader van haar aanvraag om bijstand noch in de periode van 1 oktober 2007 tot en met 31 december 2007 melding gemaakt van de onder 1.1 genoemde bankrekening. Het gaat hier onmiskenbaar om een gegeven waarvan het appellante redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat het van invloed kon zijn op haar recht op bijstand. Evenals het College en de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellante daarmee haar wettelijke inlichtingenverplichting heeft geschonden. Dat appellante, zoals zij stelt, de door haar bedoelde reservering niet zag als vermogen van haarzelf en de bankrekening niet bewust heeft verzwegen, maakt dat niet anders. Zij had het College in ieder geval de gelegenheid moeten bieden om te beoordelen of het saldo op deze bankrekening aan verlening van bijstand in de weg stond.

4.4. De hiervoor vastgestelde schending van de inlichtingenverplichting heeft tot gevolg gehad dat aan appellante over de in geding zijnde periode ten onrechte bijstand is verleend. Het College was derhalve op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd de bijstand van appellante over deze periode in te trekken. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

4.5. Het College was, gelet op het voorgaande, tevens op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd tot terugvordering van de over de periode van 1 oktober 2007 tot en met 31 december 2007 gemaakte kosten van bijstand. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. De stelling van appellante dat een voorziening voor uitvaartkosten niet aan de orde is gekomen in het kader van de behandeling van haar aanvraag om bijstand en dat terugvordering daardoor nu tot hardheid jegens haar leidt, treft geen doel, reeds omdat appellante zelf geen melding heeft gemaakt van een volgens haar mede voor deze voorziening aangehouden bankrekening.

4.6. De Raad komt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en H.J. de Mooij en J.N.A. Bootsma als leden, in tegenwoordigheid van B. Bekkers als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 mei 2011.

(get.) C. van Viegen.

(get.) B. Bekkers.

HD