Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ7841

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-06-2011
Datum publicatie
16-06-2011
Zaaknummer
11/2393 AW-VV + 11/2428 AW-VV
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Redelijke mate van waarschijnlijkheid dat de aangevallen uitspraak in stand zal blijven. Verzoekster verrichtte onbezoldigde beleidswerkzaamheden op een werkervaringsplaats. Verzoekster is geen ambtenaar. De bezwaren van verzoekster tegen het besluit zijn niet-ontvankelijk verklaard, omdat zij geen ambtenaar is. Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/2393 AW-VV en 11/2428 AW-VV

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

U I T S P R A A K

als bedoeld in artikel 8:84, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet op het verzoek om voorlopige voorziening van:

[Verzoekster], wonende te [woonplaats], (hierna: verzoekster),

in verband met het hoger beroep van:

verzoekster

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 3 februari 2011, 09/5762 en 09/5763 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

verzoekster

en

de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: minister)

Datum uitspraak: 6 juni 2011

I. PROCESVERLOOP

Verzoekster heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Verzoekster heeft tevens een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 mei 2011. Verzoekster is verschenen, vergezeld door H.L. Rijssel, juridisch adviseur. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. A.M.J. van Wijck, werkzaam bij het Expertisecentrum arbeidsjuridisch, en M.J.L. Poppelaars, werkzaam bij het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Verzoekster is in maart 2008 onbezoldigd beleidswerkzaamheden gaan verrichten op een werkervaringsplaats bij de afdeling Juridische Zaken van het directoraat-generaal Veiligheid van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: ministerie). Nadat verzoekster en haar leidinggevende geen overeenstemming konden bereiken over de schriftelijke vastlegging van deze werkervaringsplaats, is op 22 juli 2008 aan verzoekster meegedeeld dat haar werkzaamheden per direct zijn beëindigd. Verzoekster had ondertussen gesolliciteerd naar de functie van (senior) beleidsmedewerker bij het directoraat generaal Veiligheid van het ministerie en op 28 juli 2008 heeft het sollicitatiegesprek plaatsgevonden. Enkele dagen later is verzoekster telefonisch meegedeeld dat zij was afgewezen voor die functie. In een e-mailbericht van 8 augustus 2008 aan de minister heeft verzoekster gemeld dat zij tijdens het sollicitatiegesprek onterecht en onrechtvaardig was behandeld. De minister heeft dat bericht behandeld als klacht. De klachtcommissie van het ministerie heeft op 20 november 2008 een rapport van bevindingen opgesteld en bij brief van 19 december 2008 heeft de minister zijn oordeel over de klacht aan verzoekster meegedeeld.

1.2. Bij brief van 25 januari 2009 heeft verzoekster de minister verzocht om een betaalde arbeidsplaats. De minister heeft dit verzoek afgewezen bij besluit van 18 februari 2009. Verzoekster heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt. De minister heeft bij brief van 7 mei 2009 aan verzoekster op haar verzoek enkele stukken toegezonden, waaronder bovengenoemde brief van 19 december 2008. Tegen laatstgenoemde brief heeft verzoekster bij brief van 6 juni 2009 bezwaar gemaakt.

1.3. Bij besluit van 15 december 2009 (hierna: bestreden besluit) heeft de minister de bezwaren van verzoekster tegen het besluit van 18 februari 2009 en tegen de brief van 19 december 2008 niet-ontvankelijk verklaard. Aan dat besluit ligt in hoofdzaak ten grondslag dat verzoekster geen ambtenaar is in de zin van artikel 1 van de Ambtenarenwet (hierna: AW) en dat zij op grond van het bepaalde in artikel 8:4, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) geen beroep kan instellen tegen een besluit tot benoeming of aanstelling.

1.4. Medio 2010 heeft verzoekster de Nationale Ombudsman verzocht een onderzoek in te stellen naar de wijze waarop de minister zich jegens haar heeft gedragen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van verzoekster, voor zover dat was gericht tegen het bestreden besluit, ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen naar voren hebben gebracht overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

3.1. Ingevolge artikel 8:81 van Awb en artikel 21 van de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voor zover de beoordeling van een verzoek om voorlopige voorziening meebrengt dat het geschil in de hoofdzaak wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is het niet bindend voor de beslissing in de hoofdzaak.

3.2. In hetgeen verzoekster heeft aangevoerd met betrekking tot haar (financiële) situatie ziet de voorzieningenrechter een voldoende spoedeisend belang, voor zover dit ten gronde haar verzoek van 25 januari 2009 betreft. De voorzieningenrechter moet daarom antwoord geven op de vraag of een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat de aangevallen uitspaak in hoger beroep niet in stand zal blijven. De beantwoording van die vraag vergt een onderzoek en een afweging die pas in de bodemprocedure ten volle kunnen plaatsvinden. Naar aanleiding van het onderhavige verzoek komt de voorzieningenrechter tot de volgende afweging.

3.3. In artikel 7:1, eerste lid, van de Awb is bepaald dat degene aan wie het recht is toegekend tegen een besluit beroep op een administratieve rechter in te stellen, bezwaar dient te maken alvorens beroep in te stellen tegen dat besluit.

Op grond van het bepaalde in artikel 8:4, aanhef en onder d, van de Awb kan geen beroep worden ingesteld tegen een besluit tot benoeming, tenzij beroep wordt ingesteld door een ambtenaar als bedoeld in artikel 1 van de Ambtenarenwet als zodanig (…), hun nagelaten betrekkingen of hun rechtverkrijgenden. Volgens artikel 1, eerste lid, van de AW is ambtenaar in de zin van deze wet degene die is aangesteld om in openbare dienst werkzaam te zijn.

3.4. De voorzieningenrechter stelt vast dat de gevraagde voorziening er toe strekt dat verzoekster wordt aangesteld op een betaalde arbeidsplaats. Het besluit van de minister van 18 februari 2009, waarbij het verzoek van verzoekster van 25 januari 2009 om haar aan te stellen op een betaalde arbeidsplaats is afgewezen, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter een besluit als bedoeld in artikel 8:4, aanhef en onder d, van de Awb.

3.5. Met de rechtbank en de minister is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoekster ten tijde van haar verzoek van 25 januari 2009 geen ambtenaar was in de zin van artikel 1 van de AW. In de gedingstukken is geen aanknopingspunt te vinden dat verzoekster was aangesteld om in openbare dienst werkzaam te zijn, getuige ook het feit dat het verzoek er juist op was gericht om een dergelijke aanstelling te verkrijgen. Ook hetgeen verzoekster heeft aangevoerd onder meer met betrekking tot schending van diverse internationale verdragen, intimidatie, de afspraak dat verzoekster zou doorstromen naar een betaalde werkplek, de inhoud van de werkzaamheden die zij heeft verricht gedurende de werkervaring, het niet meer beschikbaar zijn van de geluidsopname van de hoorzitting in de klachtprocedure en de procedure bij de Nationale Ombudsman, kan niet leiden tot de conclusie dat sprake was van een ambtelijke aanstelling.

3.6. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat de minister het bezwaar van verzoekster, gericht tegen het besluit waarbij het verzoek om een betaalde arbeidsplaats is afgewezen, op grond van het bepaalde in artikel 8:4, aanhef en onder d, Awb bij het bestreden besluit van 15 december 2009 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. De voorzieningenrechter acht het dan ook in redelijke mate waarschijnlijk dat de aangevallen uitspraak in zoverre in stand zal blijven. Dat betekent dat het verzoek om te bepalen dat verzoekster hangende het hoger beroep wordt aangesteld als ambtenaar, moet worden afgewezen.

4. Gelet op het vorenstaande ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening.

5. De voorzieningenrechter acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht af.

Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2011.

(get.) J.G. Treffers.

(get.) R. Scheffer.

JJ