Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ7828

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-06-2011
Datum publicatie
15-06-2011
Zaaknummer
10-5814 WSF
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Handhaving besluit tot oplegging van een vordering voor de OV-kaart over oktober 2009. Appellant heeft zijn OV-kaart niet tijdig ingeleverd. Geen grond voor het oordeel dat dit appellant op geen enkele wijze kan worden toegerekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/5814 WSF

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 24 september 2010, 09/1692 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: IB-Groep).

Datum uitspraak: 10 juni 2011

I. PROCESVERLOOP

In dit geding is een uitspraak aan de orde over een besluit dat is genomen door de IB-Groep. Op 1 januari 2010 is de Wet van 15 oktober 2009 tot intrekking van de Wet verzelfstandiging informatiseringsbank en wijziging van diverse wetten in verband met de oprichting van de Dienst Uitvoering Onderwijs in werking getreden. Als gevolg hiervan is de IB-Groep opgehouden te bestaan. Ingevolge artikel XXI, eerste lid, van de wet treedt in dit geding de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de Minister) in de plaats van de IB-Groep. In deze uitspraak wordt onder de Minister tevens verstaan de IB-Groep.

Appellant heeft hoger beroep ingesteld en de Minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 april 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn vader, [naam vader] te [woonplaats]. De Minister was vertegenwoordigd door mr. drs. E.H.A. van den Berg.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van de Minister van 27 november 2009, waarbij de Minister zijn besluit tot oplegging van een vordering voor de OV-kaart over oktober 2009 heeft gehandhaafd, ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat appellant zijn OV-kaart niet tijdig heeft ingeleverd en dat er geen grond is voor het oordeel dat dit appellant op geen enkele wijze kan worden toegerekend.

2. Appellant kan zich hier niet mee verenigen en heeft in zijn hoger beroepschrift, in zijn reactie op het verweerschrift alsmede ter zitting uitgebreid aangegeven waarom hij meent dat de rechtbank ten onrechte het beroep ongegrond heeft verklaard en de vordering voor de OV-kaart over de maand oktober 2009 in stand heeft gelaten.

3.1. De Raad overweegt als volgt.

3.2. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd vormt in essentie een herhaling van hetgeen hij in bezwaar en beroep naar voren heeft gebracht. De Raad ziet geen reden anders over deze punten te oordelen dan de rechtbank bij de aangevallen uitspraak heeft gedaan en sluit zich aan bij de overwegingen van de rechtbank. De Raad voegt daar nog het volgende aan toe.

3.3. Het behoort tot de hoofdlijnen van de Wet studiefinanciering 2000 dat het recht op een OV-kaart is gekoppeld aan het recht op een basisbeurs en/of aanvullende beurs. Appellant had dan ook moeten weten dat zijn recht op een OV-kaart zou eindigen op het moment dat hij het maximale aantal maanden basisbeurs en/of aanvullende beurs had ontvangen.

3.4. Voorts is in het bericht studiefinanciering 2009, nr.1 van 7 november 2008 aangegeven:

“Wijzigingen Ov-recht Per 1 september 2009: geen recht op een OV-studentenkaart en/of OV-vergoeding”

Appellant is er dus ook expliciet en tijdig op gewezen dat zijn recht op een OV-kaart per 1 september 2009 zou eindigen. De Raad ziet niet in dat de Minister appellant nog anderszins had moeten waarschuwen. Voor wat betreft de klacht van appellant dat hij het besluit over de OV-vordering aangaande de maand september 2009 te laat heeft ontvangen sluit de Raad zich aan bij hetgeen de rechtbank daarover heeft overwogen.

3.5. Ook de overige door appellant ingediende gronden slagen niet.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van R.L. Venneman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2011.

(get.) I.M.J. Hilhorst-Hagen.

(get.) R.L. Venneman.

IvR