Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ7816

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-06-2011
Datum publicatie
15-06-2011
Zaaknummer
11-511 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Voldoende medische grondslag. Aan de Raad is niet kunnen blijken van objectief medische gegevens die aannemelijk doen zijn dat de (toegenomen) beperkingen zoals deze in aanmerking zijn genomen bij het besluit tot ophoging van appellantes uitkering per 1 april 2010, ook reeds van toepassing waren op de in deze procedure ter beoordeling voorliggende datum 11 december 2008. De enkele omstandigheid dat appellante, naar zij ter zitting heeft benadrukt, in weerwil van haar eigen melding op 4 maart 2010 van toegenomen arbeidsongeschiktheid per die datum, zelf eigenlijk geen wezenlijke verandering van haar medische situatie heeft ervaren, vormt onvoldoende aanleiding om daarover in andere zin te oordelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/511 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante] wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 15 december 2010, 09/488 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 10 juni 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. F. van der Wielen, werkzaam bij DAS Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringsmaatschappij N.V., gevestigd te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 april 2011. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Wielen. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. T. van der Weert.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is in maart 1995 wegens onder meer gynaecologische klachten en klachten van psychische aard, uitgevallen voor haar in een deeltijdse omvang verrichte werkzaamheden als groepleidster. Ingaande 11 maart 1996 is zij door een rechtsvoorganger van het Uwv in aanmerking gebracht voor onder meer een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. Bij besluit van 10 oktober 2008 is de WAO-uitkering van appellante met ingang van 11 december 2008 ingetrokken, op de grond dat de mate van haar arbeidsongeschiktheid was afgenomen naar minder dan 15%.

1.3. Bij besluit van 17 april 2009, hierna: het bestreden besluit, is het bezwaar van appellante tegen het besluit van 10 oktober 2008 gegrond verklaard, en is de WAO-uitkering van appellante met ingang van 11 december 2008 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft zich kunnen verenigen met de voor appellante van toepassing geachte medische beperkingen, als vastgelegd in de door de bezwaarverzekeringsarts aangescherpte functionele mogelijkhedenlijst (FML) van 23 maart 2009.

2.2. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het onderzoek door de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts zorgvuldig is geweest. Door die artsen is voorts afdoende gemotiveerd dat een medische grond voor het aannemen van meer beperkingen dan in de FML vermeld, ontbreekt. Appellante is niet erin geslaagd aannemelijk te maken dat er met betrekking tot de datum in geding objectief vastgestelde medische beperkingen zijn waarmee de verzekeringsartsen geen rekening hebben gehouden.

2.3. Voor zover appellante heeft gewezen op de mate van haar arbeidsongeschiktheid vanaf 4 maart 2010 - zij wordt met ingang van die datum toegenomen arbeidsongeschikt geacht en ontvangt vanaf 1 april 2010 wederom uitkering naar een volledige arbeidsongeschiktheid - is de rechtbank van oordeel dat dit geen wijziging brengt in haar oordeel met betrekking tot de datum in geding. De stelling van appellante dat haar medische situatie in de tussentijd niet is gewijzigd, vormt geen aanleiding om de FML van 23 maart 2009 voor onjuist te houden.

2.4. Tevens heeft de rechtbank zich kunnen stellen achter de bij de schatting als voor appellante passende arbeidsmogelijkheden in aanmerking genomen functies. De bezwaararbeidsdeskundige heeft voldoende duidelijk gemotiveerd dat de belasting van die functies niet in strijd is met de belastbaarheid van appellante.

3. In hoger beroep heeft appellante naar voren gebracht dat de rechtbank onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het gewijzigde standpunt van het Uwv ten aanzien van de mate van haar arbeidsongeschiktheid per 4 maart 2010 geen ander licht werpt op haar belastbaarheid op de datum in geding. Een tijdelijke verlaging van de mate van haar arbeidsongeschiktheid tussen 11 december 2008 en 4 maart 2010 valt volgens appellante niet te rijmen met het geleidelijk degeneratieve verloop van haar klachten. Appellante doelt hierbij, naar ter zitting nader is aangegeven, in het bijzonder op haar als fibromyalgie gediagnosticeerde gewrichtsklachten.

4.1. De Raad kan zich volledig vinden in de overwegingen van de rechtbank en het daarop door haar gegronde oordeel. Naar aanleiding van hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, voegt de Raad daaraan toe dat hij zich in het bijzonder ook kan verenigen met hetgeen de rechtbank heeft overwogen met betrekking tot de per 4 maart 2010 door het Uwv aangenomen toename van appellantes beperkingen en de in verband daarmee plaatsgevonden hebbende ophoging van haar uitkering per 1 april 2010. Uit de aan het betreffende besluit ten grondslag liggende gegevens leidt de Raad af dat appellante zich met een schrijven van 4 maart 2010 tot het Uwv had gewend met een melding van toegenomen psychische klachten. Bij onderzoek op 22 april 2010 heeft de verzekeringsarts geconcludeerd dat er inderdaad sprake is van toegenomen beperkingen op psychisch gebied, terwijl daarnaast volgens de verzekeringsarts tevens aanleiding bestaat toegenomen beperkingen aan te nemen ten aanzien van de gewrichtsklachten van appellante.

4.2. Aan de Raad is niet kunnen blijken van objectief medische gegevens die aannemelijk doen zijn dat de (toegenomen) beperkingen zoals deze in aanmerking zijn genomen bij het besluit tot ophoging van appellantes uitkering per 1 april 2010, ook reeds van toepassing waren op de in deze procedure ter beoordeling voorliggende datum 11 december 2008. De enkele omstandigheid dat appellante, naar zij ter zitting heeft benadrukt, in weerwil van haar eigen melding op 4 maart 2010 van toegenomen arbeidsongeschiktheid per die datum, zelf eigenlijk geen wezenlijke verandering van haar medische situatie heeft ervaren, vormt onvoldoende aanleiding om daarover in andere zin te oordelen.

4.3. Uit het overwogene onder 4.1 volgt dat het hoger beroep van appellante niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2011.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) T.J. van der Torn.

NK