Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ7783

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-06-2011
Datum publicatie
15-06-2011
Zaaknummer
10-3693 WSF
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Oplegging vordering wegens meerinkomen. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het beroep op het vertrouwensbeginsel niet slaagt. Op geen enkele wijze is gebleken dat appellant door de Minister onjuist is geïnformeerd omtrent de gevolgen van het ontvangen van een lening in relatie tot de bijverdienregeling. Voor zover appellant zich beroept op onvolledigheid van de aan hem gegeven voorlichting overweegt de Raad dat een rechtens relevante toezegging in beginsel niet kan voortvloeien uit een niet gedane of een onvolledige mededeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/3693 WSF

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 19 mei 2010, 09/875 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de Minister).

Datum uitspraak: 10 juni 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De Minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 april 2011. Appellant is verschenen in persoon. Voor de Minister is verschenen mr. drs. E.H.A. van den Berg.

II. OVERWEGINGEN

1. Per 1 januari 2010 is de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (IB-Groep) in rechte opgevolgd door de Minister. In deze uitspraak wordt onder de Minister tevens verstaan de IB-Groep.

2.1. In de maanden januari 2006 tot en met augustus 2006 is aan appellant studiefinanciering verstrekt in de vorm van een prestatiebeurs en in de maanden september 2006 tot en met december 2006 is aan hem studiefinanciering verstekt in de vorm van een lening.

2.2. Bij besluit van 8 mei 2009 heeft de Minister, beslissend op bezwaar, gehandhaafd zijn besluit van 27 maart 2009 waarbij aan appellant een vordering wegens meerinkomen over het studiefinancieringstijdvak (januari tot en met december) 2006 is opgelegd.

3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het besluit van 8 mei 2009 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft onder meer overwogen (overweging 2.4) dat een lening een vorm van studiefinanciering is, hetgeen appellant had kunnen afleiden uit de brief van 17 augustus 2006, en appellant vervolgens uit het beschikbare voorlichtingsmateriaal had kunnen afleiden wat de consequenties zouden zijn van toekenning van een lening in verband met het bijverdienen.

4. In hoger beroep heeft appellant herhaald dat de vordering wegens meerinkomen niet in rechte houdbaar is omdat de Minister tekort is geschoten in zijn taak om hem te informeren over de consequenties van het ontvangen van een lening voor de bijverdienregeling.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1. Het geschil is beperkt tot de vraag of de Minister gehouden was om af te zien van de vordering wegens meerinkomen ingevolge de dwingendrechtelijke bepaling van artikel 3.17 van de Wsf 2000 op grond van schending van het vertrouwensbeginsel.

5.2. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het beroep op het vertrouwensbeginsel niet slaagt. De Raad onderschrijft volledig hetgeen de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft overwogen onder 2.4.

Op geen enkele wijze is gebleken dat appellant door de Minister onjuist is geïnformeerd omtrent de gevolgen van het ontvangen van een lening in relatie tot de bijverdienregeling. Voor zover appellant zich beroept op onvolledigheid van de aan hem gegeven voorlichting overweegt de Raad dat een rechtens relevante toezegging in beginsel niet kan voortvloeien uit een niet gedane of een onvolledige mededeling.

5.3. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient dan ook te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van R.L. Venneman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2011.

(get.) I.M.J. Hilhorst-Hagen.

(get.) R.L. van Venneman.

NK