Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ7778

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-06-2011
Datum publicatie
15-06-2011
Zaaknummer
10-4090 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering toe te kennen. Minder dan 35% arbeidsongeschikt. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag. Appellant heeft ook in hoger beroep niet aan de hand van medische gegevens aannemelijk kunnen maken dat de in verband met deze aandoening al in aanmerking genomen beperkingen, zoals nog aangescherpt in bezwaar, onvoldoende aan zijn klachten tegemoet komen. Er aldus van uitgaande dat de beperkingen van appellant niet zijn onderschat, ziet de Raad geen aanknopingspunten om de bij de schatting betrokken functies, zoals deze in de bezwaarfase door de bezwaararbeidsdeskundige zijn geselecteerd, niet haalbaar te achten voor appellant.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/4090 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 10 juni 2010, 09/2309 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 10 juni 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.D. van Doorn, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellant zijn nadere medische stukken ingezonden, waarop van de zijde van het Uwv is gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 april 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Doorn. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. M. Sluijs.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant heeft zich vanuit een uitkeringssituatie op grond van de Werkloosheidswet met ingang van 1 januari 2007 wegens diverse lichamelijke klachten ziek gemeld voor de door hem voor het intreden van zijn werkloosheid verrichte voltijdse werkzaamheden als medewerker van een rozenkwekerij.

1.2. Bij besluit van 14 november 2008 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant per einde wachttijd, met ingang van 29 december 2008, geen recht is ontstaan op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, daar hij minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht.

1.3. Bij besluit van 16 april 2009, hierna: het bestreden besluit, is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 14 november 2008 ongegrond verklaard.

2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft, samengevat weergegeven, geoordeeld dat appellant met betrekking tot geen van de door hem aangegeven klachten - het gaat daarbij om prostaatklachten, nierstenen, rugklachten en klachten inzake een perianaal fistel - erin geslaagd is aannemelijk te maken dat zijn beperkingen door de verzekeringsartsen van het Uwv zijn onderschat.

2.2. Met betrekking tot de nierstenen heeft de rechtbank overwogen dat niet is kunnen blijken dat appellant daarvan nog steeds last had ten tijde van de datum in geding. Met betrekking tot de prostaatklachten heeft de rechtbank de (bezwaar)verzekeringsarts gevolgd in het standpunt dat, mede in het licht van de beschikbare informatie van de behandelend urologen, geen noodzaak bestaat tot het aannemen van meer beperkingen. Wat betreft de rugklachten van appellant heeft de rechtbank zich aangesloten bij het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts dat de door appellant in beroep overgelegde nadere informatie, volgens welke sprake is van een vermoeden van een hernia, geen betrekking heeft op de in dit geding ter beoordeling voorliggende datum 29 december 2008. De rechtbank heeft zich ook kunnen verenigen met de medische beperkingen die de bezwaarverzekeringsarts in aanmerking heeft genomen in verband met de perianale fistel van appellant. In het bijzonder gaat het daarbij om een beperking op het aspect zitten, erop neerkomend dat appellant naar het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts in staat kan worden geacht met gebruikmaking van een kussen met ring 45 minuten achtereen te zitten.

2.3. Ten slotte heeft de rechtbank geoordeeld dat en waarom de bij de schatting in aanmerking genomen functies terecht als passend zijn beschouwd voor appellant.

3.1. Wat appellant in hoger beroep naar voren heeft gebracht met betrekking tot zijn verschillende gezondheidsklachten, vormt in overwegende mate een herhaling van zijn in eerdere fasen van de procedure aangevoerde bezwaren. Appellant houdt staande dat zijn beperkingen op diverse terreinen zijn onderschat, in verband waarmee hij zich ook niet in staat acht tot het verrichten van de werkzaamheden die behoren bij functies die bij de schatting in aanmerking zijn genomen.

3.2. De Raad kan zich volledig vinden in de overwegingen en het daarop gegronde oordeel van de rechtbank. Aan de Raad is niet kunnen blijken van aanknopingspunten om te komen tot een andersluidend oordeel. Daarbij overweegt de Raad dat appellant zijn opvatting inzake zijn gezondheidssituatie op de datum in geding en de daaruit voor hem voortvloeiende arbeidsbeperkingen ook in hoger beroep niet heeft onderbouwd met op de datum in geding betrekking hebbende medische gegevens.

3.3. Dat geldt vooral ook voor de klachten betreffende de perianale fistel, van welke klachten appellant, naar hij desgevraagd ter zitting heeft aangegeven, de meeste hinder ondervindt. Appellant heeft ook in hoger beroep niet aan de hand van medische gegevens aannemelijk kunnen maken dat de in verband met deze aandoening al in aanmerking genomen beperkingen, zoals nog aangescherpt in bezwaar, onvoldoende aan zijn klachten tegemoet komen.

3.4. Voorts merkt de Raad op dat hij zich kan vinden in het door bezwaarverzekeringsarts K.T. Tan bij rapporten van 16 augustus 2010 en 14 april 2011 geleverde commentaar op - achtereenvolgens - het namens appellant ingediende beroepschrift met bijlagen en de bij schrijven van 23 maart 2011 in het geding gebrachte nadere medische stukken. In die rapporten is door Tan overtuigend uiteengezet dat en waarom de beroepsgronden en de overgelegde medische gegevens geen nieuwe gezichtspunten bieden ten aanzien van de datum in geding.

3.5. In het bijzonder geldt ten aanzien van de been- en rugklachten van appellant dat eerst vanaf februari/maart 2010, dus geruime tijd na de datum in geding, sprake is van signalen die wijzen op wortelprikkeling.

3.6. Er aldus van uitgaande dat de beperkingen van appellant niet zijn onderschat, ziet de Raad ten slotte, eveneens in navolging van de rechtbank, geen aanknopingspunten om de bij de schatting betrokken functies, zoals deze in de bezwaarfase door de bezwaararbeidsdeskundige zijn geselecteerd, niet haalbaar te achten voor appellant.

4. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

II. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2011.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) T.J. van der Torn.

CVG