Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ7764

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-06-2011
Datum publicatie
15-06-2011
Zaaknummer
10-2318 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering toe te kennen. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag. De Raad heeft in de beschikbare medische gegevens noch in hetgeen van de zijde van appellante naar voren is gebracht, aanknopingspunten gevonden om de beschouwing en de daarop gebaseerde conclusie van bezwaarverzekeringsarts Bockwinkel niet te volgen. De Raad merkt hierbij overigens op dat appellante, naar door de gemachtigde van het Uwv ter zitting is meegedeeld, in verband met de na de datum in geding plaatsgevonden hebbende ontwikkelingen in haar gezondheidssituatie, inmiddels met ingang van 16 december 2010 in aanmerking is gebracht voor een Wet WIA-uitkering. De Raad stelt voorts vast dat appellante ook overigens geen medische gegevens in het geding heeft gebracht die twijfel oproepen aan de juistheid van de ten aanzien van haar met betrekking tot de datum 21 augustus 2008 in aanmerking genomen beperkingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/2318 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 8 maart 2010, 08/3459 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 10 juni 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W.P.J.M. van Gestel, werkzaam bij ARAG-Nederland, Algemene Rechtsbijstand Verzekeringsmaatschappij N.V., gevestigd te Leusden, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellante zijn nadere medische stukken ingezonden, waarop van de zijde van het Uwv is gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 april 2011. Appellante is met voorafgaande kennisgeving niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. F.A. Put.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is in augustus 2006 wegens een carpaal tunnelsyndroom uitgevallen voor haar in een voltijdse omvang verrichte werkzaamheden als commercieel medewerkster. Uit een medisch onderzoeksverslag van 3 juli 2008 komt naar voren dat appellante ten tijde van het spreekuuronderzoek inmiddels is hersteld van het carpaal tunnelsyndroom, maar tevens dat zij een posttraumatische stressstoornis heeft ontwikkeld en, daaruit voortvloeiend, klachten van depressieve aard.

1.2. De verzekeringsarts heeft appellante beperkt geacht in het hanteren van stressvolle situaties. Als gevolg hiervan bestaat er een vermindering in het vermogen om probleemsituaties te hanteren en adequaat op onverwachte en/of spoedeisende gebeurtenissen te kunnen reageren. Zij is aangewezen op werk zonder grote tijdsdruk en zonder grote verantwoordelijkheid. Zij kan zich niet in voldoende mate handhaven in conflictsituaties. De voor appellante in lijn met deze conclusies van toepassing geachte beperkingen zijn door de verzekeringsarts vastgelegd in een functionele mogelijkhedenlijst (FML) van 3 juli 2008.

1.3. De arbeidsdeskundige heeft functies geselecteerd die appellante, gegeven de in de FML opgenomen beperkingen, nog zou moeten kunnen vervullen en waarmee zij ten opzichte van het maatgevende inkomen een verlies aan verdiencapaciteit lijdt van circa 8%.

2.1. Overeenkomstig evenvermelde verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige uitgangspunten heeft het Uwv bij besluit van 29 juli 2008 vastgesteld dat voor appellante per einde wachttijd, met ingang van 21 augustus 2008, geen recht is ontstaan op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).

2.2. Bij besluit van 6 november 2008, hierna: het bestreden besluit, is het bezwaar van appellante tegen het besluit van 29 juli 2008 ongegrond verklaard.

3.1. De rechtbank heeft overwogen in de beschikbare medische gegevens onvoldoende aanleiding te zien om het oordeel van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts in twijfel te trekken. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de verzekeringsartsen informatie afkomstig van de behandelend psychiater van appellante in de oordeelsvorming hebben betrokken, en overwogen dat uit die informatie niet blijkt dat de psychische klachten van appellante zijn onderschat.

3.2. De rechtbank heeft vastgesteld dat, hoewel de verzekeringsartsen expliciet hebben aangegeven geen reden te zien om een urenbeperking aan te nemen, in de FML toch een kleine urenbeperking is opgenomen. De rechtbank begrijpt deze beperking aldus dat appellante per week niet meer dan 36 uur mag werken. In verband hiermee heeft de bezwaararbeidsdeskundige volgens de rechtbank dan ook - in beroep - terecht alsnog de functies waarin meer dan 36 uur per week dient te worden gewerkt laten vervallen, en ter vervanging daarvan een aantal andere functies geselecteerd die wel aan evenvermelde urenbeperking voldoen. Voor zover appellante stelt dat een nog verdergaande urenbeperking had moeten worden aangenomen, heeft de rechtbank overwogen daarvoor geen aanknopingspunten te zien.

3.3. De passendheid van de uiteindelijk aan de schatting ten grondslag gelegde functies is naar het oordeel van de rechtbank toereikend gemotiveerd.

3.4. Nu pas in beroep de juiste functies aan het bestreden besluit ten grondslag zijn gelegd, ontbeert het bestreden besluit volgens de rechtbank een voldoende draagkrachtige motivering. De rechtbank heeft daarom het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Omdat de rechtbank zich inhoudelijk met het bestreden besluit kon verenigen, heeft de rechtbank de rechtsgevolgen van dat besluit volledig in stand gelaten.

4. Appellante heeft in hoger beroep naar voren gebracht dat zij meer beperkt is te achten en daarom niet in staat is de in aanmerking genomen functies te vervullen. Zij heeft een schrijven van haar huisarts van 19 juli 2010 in het geding gebracht, waarin deze, onder bijvoeging van informatie van de behandelend neuroloog, aangeeft dat appellante op

7 juli 2010 in verband met multipele herseninfarcten in het ziekenhuis was opgenomen en op 16 juli 2010 weer is ontslagen. Bij ontslag bestond er nog een geringe fasialis parese links en vaardigheidsstoornissen van de linkerhand en een latente parese.

5.1. Het hoger beroep van appellante richt zich uitsluitend tegen het in stand laten door de rechtbank van de rechtsgevolgen van het bestreden besluit. Op grond van het volgende is de Raad van oordeel dat het hoger beroep van appellante niet slaagt.

5.2. In een reactie van 13 augustus 2010 op de namens appellante in hoger beroep ingebrachte nadere medische informatie, heeft bezwaarverzekeringsarts B.C. Bockwinkel opgemerkt dat appellante weliswaar in augustus 2008 al geruime tijd leed aan hypertensie, een ziektebeeld dat een groter risico vormt voor het doormaken van een herseninfarct, maar dat zij toen geen klachten had die wezen op het doorgemaakt hebben van (kleine) infarcten dan wel andere neurologische uitvalsverschijnselen. Bockwinkel concludeert dat de arbeidsbeperkingen van appellante sinds juli 2010 fors zijn toegenomen en dat de ingebrachte medische informatie - dan ook - geen aanleiding geeft om het ingenomen standpunt met betrekking tot de in geding zijnde datum 21 augustus 2008 te wijzigen.

5.3. De Raad heeft in de beschikbare medische gegevens noch in hetgeen van de zijde van appellante naar voren is gebracht, aanknopingspunten gevonden om de onder 5.2 weergegeven beschouwing en de daarop gebaseerde conclusie van bezwaarverzekeringsarts Bockwinkel niet te volgen.

5.4. De Raad merkt hierbij overigens op dat appellante, naar door de gemachtigde van het Uwv ter zitting is meegedeeld, in verband met de na de datum in geding plaatsgevonden hebbende ontwikkelingen in haar gezondheidssituatie, inmiddels met ingang van 16 december 2010 in aanmerking is gebracht voor een Wet WIA-uitkering.

5.5. De Raad stelt voorts vast dat appellante ook overigens geen medische gegevens in het geding heeft gebracht die twijfel oproepen aan de juistheid van de ten aanzien van haar met betrekking tot de datum 21 augustus 2008 in aanmerking genomen beperkingen. De Raad kan zich vinden in hetgeen de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft overwogen over het onderzoek en de conclusies van de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts.

5.6. Voorts sluit de Raad zich ook aan bij overwegingen en het daarop gegronde oordeel van de rechtbank inzake de functies zoals deze - uiteindelijk - aan de schatting ten grondslag zijn gelegd.

6. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2011.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) T.J. van der Torn.

NK