Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ7761

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-06-2011
Datum publicatie
15-06-2011
Zaaknummer
10-6162 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Voldoende medische grondslag. Dat informatie van Altrecht is uitgebleven maakt dit, in het licht van de daaromtrent door het Uwv geschetste gang van zaken, niet anders. De Raad is van oordeel dat het Uwv heeft voldaan aan de opdracht van de rechtbank zoals gegeven bij uitspraak van 5 juni 2009. Blijkens de brief van 21 december 2007 van M. Sharif van Altrecht heeft er niet meer dan een intakegesprek plaatsgevonden. In het licht van de beschikbare gegevens heeft de Raad voorts geen reden om de FML voor onjuist te houden. De Raad merkt hierbij op dat, naar ook de bezwaarverzekeringsarts in de rapportage van 13 januari 2010 heeft aangegeven, in de FML beperkingen zijn opgenomen die passen bij een aanpassingstoornis met depressieve kenmerken. Ook in hoger beroep is voorts niet kunnen blijken van objectief-medische gegevens die steun verlenen aan de stelling van appellant dat de FML onvoldoende recht doet aan zijn medische beperkingen. Ook voor de door appellant bepleite urenbeperking ontbreekt een toereikende objectief-medische onderbouwing. In het voorgaande ligt besloten dat de Raad geen aanleiding ziet om een deskundige te benoemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/6162 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 7 oktober 2010, 09/3425 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 10 juni 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. Vogel, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Mr. A. Boumanal, kantoorgenoot van mr. Vogel, heeft aanvullend de gronden ingediend.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend met daarbij gevoegd een rapportage van30 december 2010 van bezwaarverzekeringsarts W.C. Hovy.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 april 2011. Namens appellant is verschenen zijn gemachtigde mr. Boumanal. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. F.A. Put.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was werkzaam als productiemedewerker in een kaasfabriek. Hij is op 17 april 1996 uitgevallen als gevolg van angstklachten en depressieve klachten. Aan hem is na ommekomst van de wettelijke wachttijd van 52 weken onder meer een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. Bij besluit van 12 september 2007 is de WAO-uitkering van appellant met ingang van 13 november 2007 ingetrokken op de grond dat de mate van appellants arbeidsongeschiktheid met ingang van deze datum minder was dan 15%. Het hiertegen gemaakte bezwaar is bij beslissing op bezwaar van 5 februari 2008 ongegrond verklaard.

1.3. De rechtbank Utrecht heeft op 5 juni 2009 het ingestelde beroep tegen de beslissing op bezwaar van 5 februari 2008 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd, het Uwv opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar van appellant te nemen met toekenning van vergoeding van proceskosten en griffierecht. De rechtbank heeft overwogen dat het Uwv nader onderzoek had behoren te doen naar de achtergrond van de vermelding in de brief van Altrecht van 21 december 2007 dat appellant bekend is met een dysthyme stoornis met recidiverende depressieve episodes. Zonder dit nadere onderzoek ziet de rechtbank onvoldoende grond voor het oordeel dat aan het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts dat zich geen verslechtering van de klachten van appellant heeft voorgedaan sinds het onderzoek van psycholoog M.A.T. Poslavsky op 2 januari 2007, doorslaggevende betekenis moet worden toegekend. Doordat het Uwv heeft nagelaten nader onderzoek te verrichten, heeft het Uwv niet de nodige kennis vergaard omtrent de relevante feiten, waardoor de beslissing op bezwaar in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) tot stand is gekomen.

1.4. Het Uwv heeft in de uitspraak van de rechtbank berust. Vervolgens heeft bezwaarverzekeringsarts Hovy informatie opgevraagd bij de huisarts van appellant, bij NOAGG en bij de RIAGG. Informatie van de RIAGG is niet ontvangen. Hovy heeft, naar aanleiding van de verkregen informatie, in een rapport van 20 oktober 2009 geconcludeerd dat het door nieuwe klachten van appellant niet mogelijk is om nog een eigen onderzoek te verrichten naar de gezondheidstoestand van appellant in 2007. Hovy geeft aan dat uit de ingewonnen informatie een beeld naar voren komt van wisselende klachten van gemengde aard, ingetreden na krenking op het werk en kennelijk in de loop van vele jaren voortdurend bij niet plausibel herstelgedrag. Voorts wijst Hovy erop dat appellant wel beperkt is geacht ten aanzien van onvoorspelbare werksituaties, deadlines, leidinggeven alsmede ploegendiensten en dat de aard van deze beperkingen ook volledig in lijn is met een eventuele aanpassingstoornis. Bij besluit van 21 oktober 2009 heeft het Uwv, gegeven evenvermelde conclusies van Hovy het bezwaar van appellant opnieuw ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 21 oktober 2009 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat het onderzoek, dat de bezwaarverzekeringsarts naar aanleiding van de eerdere uitspraak van 5 juni 2009 heeft verricht, toereikend en voldoende zorgvuldig is. Voorts heeft de rechtbank in de beschikbare medische gegevens onvoldoende aanknopingspunten kunnen vinden voor het standpunt dat de bezwaarverzekeringsarts de arbeidsbeperkingen van appellant anders had moeten vaststellen dan in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) is neergelegd. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit is de rechtbank van oordeel dat de aan appellant voorgehouden functies, wat betreft de daarin voorkomende belasting, in overeenstemming zijn met de voor appellant vastgestelde beperkingen.

3. In hoger beroep is namens appellant aangevoerd dat er nog steeds een verschil van inzicht is tussen het Uwv, die zich laat leiden door het rapport van Poslavsky, en appellant, die steun vindt in de verklaringen van de behandelend sector. Het bestreden besluit is niet zorgvuldig voorbereid nu het Uwv geen informatie heeft opgevraagd bij Altrecht, een afschrift van het verzoek om informatie bevindt zich niet in het dossier. Van het Uwv had verwacht mogen worden dat hij zich meer moeite had getroost om de gevraagde informatie alsnog boven water te krijgen. Voorts is appellant van mening dat een urenbeperking aangenomen dient te worden. Appellant verzoekt een deskundigenonderzoek te laten verrichten. Ter zitting heeft appellant de passendheid van de geduide functies bestreden waarbij onder meer is aangevoerd dat zijn beperkingen op het persoonlijk functioneren, met name samenwerken en probleemoplossen, die functies ongeschikt doen zijn.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. De Raad heeft geen aanleiding gevonden over de medische grondslag van het bestreden besluit een ander oordeel te geven dan de rechtbank. Daarbij heeft de Raad in de eerste plaats in aanmerking genomen dat ook naar zijn oordeel de medische grondslag van het bestreden besluit thans op een zorgvuldig onderzoek berust. Dat informatie van Altrecht is uitgebleven maakt dit, in het licht van de daaromtrent door het Uwv geschetste gang van zaken, niet anders. De Raad is van oordeel dat het Uwv heeft voldaan aan de opdracht van de rechtbank zoals gegeven bij uitspraak van 5 juni 2009. Blijkens de brief van 21 december 2007 van M. Sharif van Altrecht heeft er niet meer dan een intakegesprek plaatsgevonden.

In het licht van de beschikbare gegevens heeft de Raad voorts geen reden om de FML voor onjuist te houden. De Raad merkt hierbij op dat, naar ook de bezwaarverzekeringsarts in de rapportage van 13 januari 2010 heeft aangegeven, in de FML beperkingen zijn opgenomen die passen bij een aanpassingstoornis met depressieve kenmerken. Ook in hoger beroep is voorts niet kunnen blijken van objectief-medische gegevens die steun verlenen aan de stelling van appellant dat de FML onvoldoende recht doet aan zijn medische beperkingen. Ook voor de door appellant bepleite urenbeperking ontbreekt een toereikende objectief-medische onderbouwing. In het voorgaande ligt besloten dat de Raad geen aanleiding ziet om een deskundige te benoemen.

4.3. Aldus ervan uitgaande dat de beperkingen van appellant niet onjuist zijn vastgesteld, is de Raad ten slotte van oordeel dat appellant op de datum in geding in staat was de aan de schatting ten grondslag gelegde functies te vervullen. In de rapportage van 7 september 2007 van de arbeidsdeskundige en in de rapportage van 4 februari 2008 van de bezwaararbeidsdeskundige is genoegzaam gemotiveerd waarom de belasting van de geduide functies de belastbaarheid van appellant niet overschrijdt. De Raad merkt hierbij naar aanleiding van hetgeen daarover van de zijde van appellant is aangevoerd, nog op dat appellant in de FML niet beperkt is geacht met betrekking tot de aspecten samenwerken en probleemoplossen.

4.4. Uit de overwegingen 4.2 en 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2011.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) T.J. van der Torn.

CVG