Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ7743

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-06-2011
Datum publicatie
14-06-2011
Zaaknummer
10-3567 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering toe te kennen. Minder dan 35% arbeidsongeschikt. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag. De medische grondslag berust op een zorgvuldig onderzoek. Geen aanleiding om te twijfelen aan de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid. De Raad heeft, uitgaande van de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid, evenmin grond om te oordelen dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht niet geschikt te achten zijn voor appellant.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/3567 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 11 mei 2010, 09/1317 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 10 juni 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.H.F. de Jong, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, met daarbij gevoegd rapporten van de bezwaarverzekeringsarts van 2 september 2010 en de bezwaararbeidsdeskundige van 6 september 2010.

Op 18 april 2011 heeft appellant stukken aan de Raad gezonden met betrekking tot de toekenning van een WGA-loonaanvullingsuitkering vanaf 1 december 2010 en een brief van i-psy van 30 maart 2011.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 april 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. F.A. Put.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als productiemedewerker. Op 25 september 2006 heeft hij zich vanuit een uitkeringssituatie op grond van de Werkloosheidswet ziek gemeld wegens psychische klachten.

1.2. Bij besluit van 9 december 2008 heeft het Uwv geweigerd appellant met ingang van 22 september 2008 in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen op de grond dat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid per die datum minder dan 35% bedraagt.

2. Bij besluit van 1 april 2009 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 22 september 2008 ongegrond verklaard.

3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank - kort samengevat - overwogen dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest en dat het bestreden besluit op een voldoende medische grondslag berust. Ten aanzien van de arbeidskundige grondslag heeft de rechtbank geen aanknopingspunten gezien om de aan de schatting ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht voor appellant ongeschikt te achten.

4. Het hoger beroep van appellant is gericht tegen de medische grondslag van het bestreden besluit. Naar mening van appellant is onvoldoende rekening gehouden met zijn psychische beperkingen. Appellant heeft gewezen op de in beroep overgelegde brief van behandelend psycholoog S. Essatibi van 5 juni 2009 waarin staat vermeld dat appellant voorlopig niet in staat is om te gaan werken en stelt dat de bezwaarverzekeringsarts in reactie op deze brief geen valide argument heeft gegeven waarom deze brief niet betekent dat appellant inderdaad arbeidsongeschikt zou zijn. Appellant heeft er op gewezen dat aan hem per 1 december 2010 een uitkering is toegekend en dat zijn klachten sinds 2008 altijd hetzelfde zijn gebleven.

5.1. De Raad overweegt als volgt.

5.2. De Raad heeft geen aanleiding gezien over de medische grondslag van het bestreden besluit een ander oordeel te geven dan de rechtbank. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de medische grondslag berust op een zorgvuldig onderzoek. Tevens ziet de Raad geen aanleiding om te twijfelen aan de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat bezwaarverzekeringsarts heeft gereageerd op de brief van de behandelend psycholoog Essatibi van 5 juni 2009 en daarover in zijn rapport van 24 juni 2009 heeft opgemerkt dat die brief in feite geen nieuwe aspecten bevat en dat in verband met de klachten van appellant wel beperkingen zijn opgenomen. De bezwaarverzekeringsarts heeft opgemerkt dat appellant normaal begaafd is en acht hem zijn passief afhankelijke gedrag aan te rekenen. Voorts heeft de bezwaarverzekeringsarts in hoger beroep genoegzaam gemotiveerd dat er geen aanleiding is om het standpunt te wijzigen, onder meer door er op te wijzen dat het bestaan van een psychisch toestandsbeeld als zodanig niet betekent dat er geen mogelijkheden zijn om te functioneren in passend werk, dat een oorzakelijk verband tussen gaan werken en decompensatie niet valt te leggen en dat er door de psycholoog geen onderbouwing is gegeven, voor de stelling dat appellant niet kan werken. De Raad ziet dan ook geen aanknopingspunten om de Functionele Mogelijkheden Lijst van 4 december 2008 onjuist te achten. Naar aanleiding van hetgeen daarover van de zijde van appellant naar voren is gebracht, merkt de Raad hierbij nog op dat de toekenning van uitkering per

1 december 2010 geen aanleiding vormt voor een andersluidend oordeel, reeds omdat die toekenning een reactie vormt op een nieuwe melding door appellant van arbeidsongeschiktheid per een latere datum.

5.3. De Raad heeft, uitgaande van de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid, evenmin grond om te oordelen dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht niet geschikt te achten zijn voor appellant.

6. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2011.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) T.J. van der Torn.

CVG