Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ7714

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-06-2011
Datum publicatie
10-06-2011
Zaaknummer
10-284 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Opleggen loonsanctie. Geen sprake van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/284 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 9 december 2009, 09/260 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 1 juni 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De Raad heeft met toestemming van partijen het onderzoek ter zitting achterwege gelaten.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 20 november 2006 heeft het Uwv het tijdvak waarin [naam werkneemster] (hierna: de werkneemster) jegens appellante als werkgever recht heeft op loon tijdens ziekte, verlengd met 52 weken. De verlenging - ook wel kortweg loonsanctie genoemd - is opgelegd in aansluiting aan de normale wachttijd van 104 weken op de grond dat de re-integratie-inspanningen van appellante onvoldoende zijn geweest en dat een deugdelijke grond voor dit verzuim ontbreekt. Tegen dit besluit heeft appellante geen rechtsmiddel aangewend.

1.2. Bij brief van 9 juli 2008 heeft appellante het Uwv verzocht van voormeld besluit terug te komen. Bij besluit van

12 september 2008 heeft het Uwv dit geweigerd omdat niet was gebleken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden die ertoe leiden dat de genomen beslissing onjuist zou zijn. Bij besluit van 19 januari 2009 heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 12 september 2008 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het besluit van 19 januari 2009 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de door appellante aangevoerde omstandigheden geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden vormen als bedoeld in artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De omstandigheid dat de werkneemster naast haar werkzaamheden voor appellante tevens werkzaam was voor een houder van een persoonsgebonden budget (PGB) was bij het Uwv ten tijde van het opleggen van voornoemde loonsanctie bekend. Dat de arbeidsdeskundige destijds van deze werkzaamheden in zijn rapport geen melding heeft gemaakt kan daaraan naar het oordeel van de rechtbank niet afdoen.

3. De Raad, oordelend over hetgeen appellante tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, overweegt als volgt.

3.1. Zoals de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft geoordeeld mag ingevolge vaste jurisprudentie van de Raad, in overeenstemming met hetgeen voor herhaalde aanvragen is bepaald in artikel 4:6, eerste lid, van de Awb, van degene die een bestuursorgaan verzoekt van een eerder ambtshalve genomen besluit terug te komen, worden verlangd dat bij dit verzoek nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld die zulk een terugkomen kunnen rechtvaardigen.

3.2. Ook heeft de rechtbank terecht overwogen dat de rechter vervolgens bij zijn beoordeling van een met toepassing van artikel 4:6 van de Awb genomen besluit het oorspronkelijke besluit tot uitgangspunt dient te nemen en zich in beginsel dient te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien.

3.3. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. Het Uwv was bij het opleggen van de loonsanctie ervan op de hoogte dat de werkneemster tevens werkzaam was voor een PGB-houder. Op haar aanvraag om uitkering ingevolge de Wet WIA van 16 oktober 2006 heeft de werkneemster dit ook expliciet vermeld. Dat appellante niet op de hoogte zou zijn geweest van deze werkzaamheden is gezien het onder 3.1 en 3.2 weergegeven beoordelingskader niet relevant.

3.4. Hetgeen hiervoor onder 3.1 tot en met 3.3 is overwogen leidt de Raad tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

4. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om te komen tot een proceskostenveroordeling ingevolge artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2011.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) P. Boer.

JL