Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ7703

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-06-2011
Datum publicatie
10-06-2011
Zaaknummer
10-1573 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning loongerelateerde WGA-uitkering. Zorgvuldig verzekeringsgeneeskundig en arbeidsdeskundig onderzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/1573 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 4 februari 2010, 08/2242 (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 8 juni 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld door A.M.C. van Dalen, advocaat te Woerden.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellant is een aanvullend hoger beroepschrift ingediend door mr. H.C.S. van Deijk-Amzand, eveneens advocaat.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 augustus 2010 waar appellant is verschenen, bijgestaan door mr. van Deijk-Amzand. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. Nicolai.

De Raad heeft het onderzoek heropend en de psychiater C.J.F. Kemperman tot deskundige benoemd. Door Kemperman is op 11 januari 2011 een rapport uitgebracht.

Partijen hebben op dit rapport gereageerd.

Het nader onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 april 2011. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. van Nederveen

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant, laatstelijk werkzaam als schilder, heeft zich op 9 januari 2006 ziek gemeld vanwege lichamelijke en psychische klachten.

1.2. Per einde wachttijd is appellant op grond van geneeskundig en arbeidskundig onderzoek ongeschikt geacht voor de maatmanfunctie van schilder, maar met fysieke beperkingen geschikt geacht voor andere gangbare arbeid. Het verlies aan verdiencapaciteit is op grond van functieduiding vastgesteld op 42,71%.

1.3. Bij besluit van 13 december 2007 is aan appellant op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) ingaande 7 januari 2008 een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend naar de arbeidsongeschiktheidsklasse van 35-80%.

1.4. Bij besluit van 23 juni 2008 (bestreden besluit) heeft het Uwv, na onderzoek door een bezwaarverzekeringsarts en een bezwaararbeidsdeskundige, de door appellant tegen het besluit van 13 december 2007 ingebrachte bezwaren ongegrond verklaard.

2.1. Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. In beroep heeft appellant betoogd dat zijn beperkingen door het Uwv niet juist zijn ingeschat en dat hij meer beperkt is dan door het Uwv in de opgestelde FML is aangegeven.

2.2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat het bestreden besluit berust op een zorgvuldig medisch onderzoek en dat de voor appellant vastgestelde belastbaarheid niet onjuist is. De rechtbank volgt appellant niet in zijn stelling dat er beperkingen hadden moeten worden vastgesteld ten aanzien van het persoonlijk en sociaal functioneren en heeft geen aanleiding gezien voor een neuropsychologisch deskundigenonderzoek. De geduide functies zijn naar het oordeel van de rechtbank in medisch opzicht en qua opleidingsniveau passend voor appellant. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak vanwege de eerst in beroep verstrekte motivering bij de geschiktheid van de geduide functies het beroep van appellant gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

3.1. Het hoger beroep is, evenals het bezwaar en beroep, gericht tegen de omvang van de beperkingen van appellant. Appellant acht zich volledig en duurzaam arbeidsongeschikt.

3.2. Ter onderbouwing van zijn stelling heeft appellant bij aanvullend hoger beroepschrift een rapportage ingebracht van de door hem geraadpleegde psychiater R.A. Achilles. Uit deze rapportage blijkt volgens appellant dat zijn cognitieve- en geheugenproblemen wel te objectiveren zijn, maar niet de oorzaken daarvan. Appellant verwijst naar de conclusie van psychiater Achilles dat sprake is van een ongedifferentieerde somatoforme stoornis, cognitieve stoornis NAO. Appellant kan hierdoor niet in staat worden geacht zich adequaat te handhaven op de vrije arbeidsmarkt.

3.3. De door de Raad benoemde deskundige Kemperman heeft appellant op 10 december 2010 onderzocht en zijn bevindingen gerapporteerd op 11 januari 2011. In zijn rapport concludeert Kemperman dat bij appellant geen psychiatrisch toestandsbeeld of persoonlijkheidsstoornis in het kader van DSM IV vast is te stellen, noch per datum in geding (7 januari 2008) noch per datum van het onderzoek. Kemperman heeft zijn bevindingen gebaseerd op eigen onderzoek en alle in het dossier aanwezige medische informatie. Kemperman volgt psychiater Achilles niet in diens standpunt dat sprake is van een cognitieve stoornis en een ongedifferentieerde somatoforme stoornis.

3.4. Bij brief van 22 maart 2011 is door appellant aangegeven dat hij zich niet kan verenigen met de inhoud van het rapport van Kemperman aangezien Kemperman wel klachten heeft gesignaleerd op het gebied van geheugen, concentratie, slaapproblemen en verminderde stemming, maar geen beperkingen in het persoonlijk en sociaal functioneren heeft aangenomen. Tevens is door appellant een rapportage van de verzekeringsarts G.J. van der Meent ingebracht, die appellant op 10 maart 2011 heeft gezien en op basis van een verzekeringsgeneeskundig onderzoek per 1 februari 2011 een toename van de beperkingen van appellant heeft vastgesteld, alsmede een brief van het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten, gedateerd 11 maart 2011, waarin is gesteld dat blootstelling aan oplosmiddelen, c.q. een chronische toxische encefalopathie, niet kan worden uitgesloten als oorzaak van de milde cognitieve stoornissen van appellant.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. Het is vaste rechtspraak van de Raad dat het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter benoemde deskundige wordt gevolgd, tenzij op grond van bijzondere omstandigheden afwijking van deze regel is gerechtvaardigd. De Raad ziet geen reden het oordeel van de deskundige Kemperman niet te volgen. De Raad is van oordeel dat het onderzoek van deze deskundige zorgvuldig is geweest en voldoende is onderbouwd. Anders dan de bevindingen van psychiater Achilles zien de bevindingen van deskundige Kemperman expliciet op de datum in geding. De door appellant ingebrachte rapportage van verzekeringsarts Van der Meent is evenmin van toepassing op de datum in geding en is daarom niet van betekenis voor de beoordeling van de situatie per 7 januari 2008. Uit de brief van het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten volgt niet dat de conclusie van deskundige Kemperman onjuist is.

4.3. Met betrekking tot de zorgvuldigheid van het verzekeringsgeneeskundig en arbeidsdeskundig onderzoek en de daaruit getrokken conclusie kan de Raad zich vinden in de overwegingen en het oordeel van de rechtbank in de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat dan ook daarnaar te verwijzen.

5. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient dan ook te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en B.M. van Dun en J.J.T. van den Corput als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2011.

(get.) H.G. Rottier.

(get.) M.A. van Amerongen.

KR