Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ7696

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-06-2011
Datum publicatie
10-06-2011
Zaaknummer
10-969 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op een uitkering ingevolge de Wet WIA. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/969 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 23 december 2009, 09/1905 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 8 juni 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.M.W.A. van der Hoeven, advocaat, hoger beroep ingesteld en stukken ingezonden.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingezonden en rapporten van een bezwaarverzekeringsarts en een bezwaararbeidsdeskundige. Het Uwv heeft voorts een vraag van de Raad beantwoord.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 maart 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. M.P.W.M. Wiertz.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is op 10 januari 2007 met peesletsel van de rechter hand uitgevallen voor zijn werkzaamheden als allround elektromonteur. Tijdens zijn ziektewetperiode is appellant in psychische zin gedecompenseerd.

1.2. Het Uwv heeft bij besluit van 12 december 2008, gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 13 maart 2009 (hierna: het bestreden besluit), vastgesteld dat voor appellant ingaande 7 januari 2009 geen recht is ontstaan op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Dit besluit berust op het standpunt dat appellant vanwege ADD en een persoonlijkheidsstoornis NAO beperkt is in zijn belastbaarheid en over duurzaam te benutten arbeidsmogelijkheden beschikt. Het Uwv heeft appellant ongeschikt geacht voor de maatmanfunctie, maar wel geschikt geacht voor andere gangbare arbeid. Het verlies aan verdiencapaciteit is op grond van een theoretische schatting berekend op 31,41%.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Het bestreden besluit berust naar het oordeel van de rechtbank op een deugdelijke medische grondslag. Zij heeft daartoe overwogen dat de verzekeringsartsen bij het vaststellen van de belastbaarheid van appellant rekening hebben gehouden met de informatie van behandelaars en door hen vastgestelde diagnostiek, en dat uit de in beroep in geding gebrachte medische stukken niet is gebleken dat appellant meer of anders beperkt is dan door het Uwv is aangenomen. Over de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv genoegzaam heeft aangetoond dat de voor appellant geselecteerde functies in medisch opzicht zowel als wat betreft het opleidingsniveau voor hem geschikt zijn.

3. Appellant heeft in hoger beroep herhaald dat hij vanwege zijn aandoeningen - dysthemie, ADD en PDD-NOS en het Asperger syndroom - almede een belastende thuissituatie geen loonvormende arbeid kan verrichten. De verzekeringsartsen hebben, zo stelt appellant, onvoldoende rekening gehouden met de uit die aandoeningen voortvloeiende beperkingen. Appellant heeft erop gewezen dat hij niet in staat is zijn dagelijks leven te structureren en organiseren zonder externe begeleiding. Hij wijst ter onderbouwing naar rapporten van psychiater K. van de Auwera van 12 februari en

8 maart 2010, de bevindingen van zijn behandelaars en een indicatiebesluit voor ondersteunende begeleiding van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ). De verzekeringartsen zijn naar zijn mening onvoldoende deskundig wat de materie van zijn aandoeningen betreft om een adequaat oordeel te geven over zijn functionele mogelijkheden. Onder verwijzing naar een verklaring van cardioloog dr. J. Vos van 29 maart 2010 heeft appellant aangevoerd dat hij recent een hartinfarct heeft ondergaan dat mede veroorzaakt is door de ingezette re-integratie. Appellant acht de voor hem geselecteerde functies niet geschikt.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank de bij haar naar voren gebrachte gronden, die in hoger beroep zijn herhaald, op juiste wijze besproken en heeft zij op juiste wijze gemotiveerd waarom die gronden niet slagen. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank. In de in hoger beroep ingezonden rapporten van de psychiater Van de Auwera en de verklaring van de cardioloog ziet de Raad geen aanwijzingen dat het Uwv de belastbaarheid van appellant niet juist heeft vastgesteld. De Raad wijst er in dit verband op dat bezwaarverzekeringsarts mr. J.T.J.A. Kleijn in zijn rapport van

7 april 2010 heeft toegelicht dat de beperkingen en mogelijkheden zoals die door psychiater Van de Auwera zijn aangegeven in zijn rapporten aansluiten bij de voor appellant vastgestelde beperkingen in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). De Raad heeft geen aanleiding om het standpunt van Kleijn niet te onderschrijven. De Raad voegt daar aan toe dat de verklaring van cardioloog Vos niet ziet op de medische situatie van appellant ten tijde in geding noch een ander licht werpt op appellants belastbaarheid ten tijde in geding.

4.2. Uitgaande van de juistheid van de in de FML weergegeven belastbaarheid is de Raad van oordeel dat de geselecteerde functies, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, als voor appellant in medisch opzicht geschikt dienen te worden aangemerkt. De onderbouwing hiervoor is gegeven in de ‘notities functiebelasting’ van 20 november 2008, de notitie van 11 februari 2009 en de rapporten van de bezwaararbeidsdeskundige van 10 juni 2009, 7 mei 2010 en 22 september 2010. In het rapport van 7 mei 2010 heeft de bezwaararbeidsdeskundige verder genoegzaam toegelicht dat de geselecteerde functies gezien de vereiste opleiding en ervaring voor appellant passend zijn.

4.3. Uit hetgeen is overwogen onder 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2011.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) T.J. van der Torn.

KR