Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ7693

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-06-2011
Datum publicatie
10-06-2011
Zaaknummer
09-5976 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op een uitkering op grond van de Wet WIA. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/5976 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 23 september 2009, 09/115 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 8 juni 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend en geantwoord op vragen van de Raad.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 april 2011. Voor appellante is verschenen mr. W.G.H. van de Wetering, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.F. Bär.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 31 juli 2008 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellante met ingang van 20 februari 2008 geen recht is ontstaan op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Beslissend op het bezwaar van appellante heeft het Uwv bij besluit van 26 november 2008 zijn standpunt gehandhaafd dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante minder is dan 35%.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank berust het besluit van 26 november 2008 op een voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

3.1. Appellante heeft in hoger beroep zowel de medische als de arbeidskundige kant van de schatting ter discussie gesteld. Zij heeft haar standpunt herhaald dat zij meer beperkingen heeft voor het verrichten van arbeid dan de (bezwaar)verzekeringsartsen hebben aangenomen. Bij het medisch onderzoek is nagelaten recente informatie te verkrijgen van de behandelend artsen van appellante. Zij heeft verder betoogd dat aan de schatting een functie ten grondslag is gelegd die niet voldoende arbeidsplaatsen vertegenwoordigt en dat functies zijn gebruikt waarvan niet is gebleken dat die actueel waren op de in geding zijnde datum 20 februari 2008.

3.2. Het Uwv heeft zich achter het oordeel van de rechtbank gesteld over de medische kant van de schatting. Hij heeft in hoger beroep nader toegelicht dat de door de (bezwaar)arbeidsdeskundige geselecteerde functies voor appellante geschikt zijn en op de datum in geding in voldoende mate op de arbeidsmarkt voorkwamen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Appellante heeft in hoger beroep geen medische informatie ingebracht die betrekking heeft op haar gezondheidstoestand op 20 februari 2008. Haar beroepsgronden zijn een herhaling van hetgeen zij in de procedure bij de rechtbank heeft gesteld. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank over de medische grondslag van het besluit van 26 november 2008. De (bezwaar)verzekeringsartsen hebben niet alleen de door appellante op de voorgrond gestelde rugklachten maar ook de nekklachten bij hun beoordeling betrokken en kennisgenomen van het door appellante doorlopen revalidatietraject, waarvan de huisarts van appellante verslag heeft gedaan in zijn rapport van 15 augustus 2008. Appellante heeft haar stelling dat haar nekklachten tot meer beperkingen voor het verrichten van arbeid leidden dan in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) is neergelegd niet van een medische onderbouwing voorzien. Evenmin is gebleken dat appellante op de datum in geding beperkingen ondervond als gevolg van medische problematiek die revalidatiearts

C.M. van Gestel onder het kopje ‘voorgeschiedenis’ heeft vermeld in zijn rapport van 5 juli 2006.

4.2. De schatting is gebaseerd op de functies van inpakker (Sbc-code 111190), productiemedewerker industrie (Sbc-code 111180) en wikkelaar (Sbc-code 267050). De Raad is met de rechtbank van oordeel dat appellante op 20 februari 2008 in staat kon worden geacht deze functies te vervullen. Voor zover uit het Resultaat functiebeoordeling blijkt van een belasting in een functie die de in de FML neergelegde belastbaarheid van appellante te boven lijkt te gaan, is gemotiveerd uiteengezet dat de functie toch voor appellante geschikt is.

4.3. Met de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van 4 juni 2010 is inzichtelijk geworden dat ook de functie van productiemedewerker industrie in medisch opzicht voor appellante geschikt is. In de FML is geen beperking opgenomen op het aspect ‘frequent buigen tijdens het werk’ zodat er voor appellante geen belemmering is om bij de uitvoering van zittende werkzaamheden met een hogere frequentie te buigen over een geringere hoek.

4.4. Met de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van 10 februari 2010 heeft het Uwv voldoende aannemelijk gemaakt dat de schatting voldoet aan de eisen van artikel 9, aanhef en eerste lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten. De functies vertegenwoordigen op de datum in geding een voldoende aantal arbeidsplaatsen. Gegevens met betrekking tot die functies, die niet ouder zijn dan 24 maanden, laten zien dat met deze functies een loon kan worden verdiend dat het vastgestelde maatmaninkomen van appellante overschrijdt.

4.5. Eerst in hoger beroep is met de in de overwegingen onder 4.3 en 4.4 genoemde rapportages de deugdelijke – en aan het besluit van 26 november 2008 ontbrekende – motivering verkregen van de beslissing dat appellante met ingang van

20 februari 2008 niet in aanmerking komt voor een uitkering op grond van de Wet WIA. De Raad ziet daarin aanleiding het besluit van 26 november 2008 en de aangevallen uitspraak te vernietigen. Hij zal bepalen dat de rechtsgevolgen van het besluit van 26 november 2008 geheel in stand blijven.

4.6. Er is grond het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. De Raad begroot de kosten van rechtsbijstand in beroep op een bedrag van € 644,- en in hoger beroep op een bedrag van € 874,-, in totaal een bedrag van € 1.518,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 26 november 2008 gegrond en vernietigt dit besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het besluit van 26 november 2008 geheel in stand blijven;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.518,-;

Bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van totaal € 149,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden als voorzitter en M. Greebe en F.J.L. Pennings als leden, in tegenwoordigheid van T. Dolderman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2011.

(get.) C.P.J. Goorden.

(get.) T. Dolderman.

KR