Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ7687

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-06-2011
Datum publicatie
10-06-2011
Zaaknummer
09/359 ZW + 10/1531 ZW + 11/1453 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Voor de Raad is voldoende aannemelijk geworden dat op 8 februari 2011 het totaal aan terugbetalingen € 3.620,- bedraagt en aldus een terug te vorderen bedrag van € 696,43 resteert. Ter zitting van de Raad is door de gemachtigde van het Uwv bevestigd dat op voormeld bedrag nog € 147,87 in mindering moet worden gebracht waardoor uiteindelijk een terug te vorderen bedrag van € 548,56 overblijft. Aangezien laatstgenoemde bedrag niet overeenkomt met het bedrag vermeld in het besluit van 8 februari 2011 kan dit besluit niet in stand blijven en moet het worden vernietigd. De Raad ziet in het vorenstaande aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb te bepalen dat het door het Uwv nog terug te vorderen bedrag op 8 februari 2011 € 548,56 netto bedraagt. Toewijzing schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/359 ZW + 10/1531 ZW + 11/1453 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 3 december 2008, 08/3794 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 8 juni 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft S. Wulfse, werkzaam bij MEE Noordwest-Holland, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 12 januari 2011, alwaar appellant en zijn echtgenote zijn verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door F.P.L. Smeets. De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst teneinde het Uwv in de gelegenheid te stellen om binnen vier weken een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

Het onderzoek ter zitting heeft opnieuw plaatsgehad op 27 april 2011. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door drs. A. Koeleman, werkzaam bij MEE Noordwest-Holland. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door F.P.L. Smeets.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 11 januari 2007 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat hem over de periode van 3 oktober 2005 tot en met 5 november 2006 ten onrechte dubbel ziekengeld is betaald. Een bedrag van € 10.989,30 aan onverschuldigd betaalde uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) wordt van hem teruggevorderd. Appellant heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 27 maart 2008 is het bezwaar van appellant gedeeltelijk gegrond verklaard in zoverre dat over de periode van 10 januari 2006 tot en met 5 november 2006 een bedrag van € 7.058,65 van hem wordt teruggevorderd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het besluit van 27 maart 2008 vernietigd behoudens de vaststelling van het dagloon, en het besluit van 11 januari 2007 herroepen. Tevens heeft de rechtbank bepalingen gegeven omtrent proceskostenvergoeding en griffierecht, en heeft zij het verzoek van appellant om schadevergoeding afgewezen. Appellant heeft zich met die uitspraak niet kunnen verenigen en is daartegen in hoger beroep gekomen.

3. Hangende de procedure in hoger beroep heeft het Uwv op 17 februari 2009 een nieuw besluit genomen waarbij van appellant over de periode van 3 oktober 2005 tot en met 5 november 2006 een bedrag van € 7.542,41 aan teveel betaald ziekengeld wordt teruggevorderd. Appellant heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van

2 juli 2009 heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard. Appellant is tegen het besluit van 2 juli 2009 in beroep gegaan bij de rechtbank. Bij uitspraak van 15 april 2010 heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard om van het beroep van appellant kennis te nemen en bepaald dat de gedingstukken worden toegezonden aan de Raad.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Het besluit van 2 juli 2009 komt niet geheel tegemoet aan het beroep van appellant. Op grond van de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt het beroep geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 2 juli 2009.

4.2. Ter zitting van de Raad op 12 januari 2011 heeft het Uwv te kennen gegeven het besluit van 2 juli 2009 niet langer te handhaven. Vervolgens heeft het Uwv op 8 februari 2011 een nieuw besluit op bezwaar genomen. Daarbij is de hoogte van het dagloon vastgesteld op € 87,38 en is bepaald dat van appellant over de periode 3 oktober 2005 tot en met

9 januari 2006 niets zal worden teruggevorderd. Tevens is het terug te vorderen bedrag gesteld op € 4.316,43 en het totale bedrag aan terugbetalingen op € 3.620,- waardoor een terug te vorderen bedrag resteert van € 696,43. Aan appellant is een schadevergoeding toegekend van € 887,- in verband met de terug te betalen zorgtoeslag over het jaar 2006. Ter zake van de door appellant geclaimde fiscale schade is hij verwezen naar de afdeling Ziektewet van het Uwv.

4.3. Appellant heeft laten weten zich niet geheel te kunnen verenigen met het besluit van 8 februari 2011. Op grond van de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Awb wordt het beroep daarom ook geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 8 februari 2011.

4.4. Nu het besluit van 2 juli 2009 is vervangen door het besluit van 8 februari 2011 en (ook) dit laatste besluit hier onderwerp van geschil is, heeft appellant geen belang bij een beoordeling van het besluit van 2 juli 2009. Het beroep tegen het besluit van 2 juli 2009 zal dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard.

4.5. Tegen het besluit van 8 februari 2011 heeft appellant aangevoerd dat hij meer heeft terugbetaald dan € 3.620,- en dat het Uwv hem ook zijn belastingschade van € 2.555,- moet vergoeden. Voorts heeft hij zijn standpunt herhaald dat de totale terugvordering over de periode 10 januari 2006 tot 6 november 2006 hem moet worden kwijtgescholden. Volgens appellant heeft het Uwv op grond van artikel 4 van de Beleidsregels schorsing, opschorting, intrekking en herziening uitkeringen 2006 (hierna: Beleidsregels) daartoe de mogelijkheid.

4.6. De Raad stelt allereerst vast dat de door appellant geclaimde belastingschade in het onderhavige geding niet aan de orde kan worden gesteld, omdat deze schade geen voorwerp is geweest en heeft kunnen zijn van de besluitvorming, die heeft geleid tot het besluit van 8 februari 2011. Voorts is de Raad met het Uwv van oordeel dat de stelling van appellant, dat het Uwv op grond van artikel 4 van de Beleidsregels had kunnen afzien van de terugvordering, niet kan slagen aangezien deze Beleidsregels in het onderhavige geval niet van toepassing zijn. De terugvordering waar het hier om gaat betreft immers een ten onrechte dubbel betaald ziekengeld en is dus niet ontstaan door een schorsing, opschorting, intrekking of herziening van appellants ZW-uitkering.

4.7. Wat betreft het standpunt van appellant dat hij reeds in totaal € 3.805,- heeft terugbetaald in plaats van € 3.620,- waarvan in het besluit van 8 februari 2011 wordt uitgegaan, is de Raad van oordeel dat het op de weg van appellant had gelegen om dat standpunt, bijvoorbeeld aan de hand van bankafschriften, te onderbouwen. Op grond van de gedingstukken is voor de Raad voldoende aannemelijk geworden dat op 8 februari 2011 het totaal aan terugbetalingen € 3.620,- bedraagt en aldus een terug te vorderen bedrag van € 696,43 resteert. Ter zitting van de Raad is door de gemachtigde van het Uwv bevestigd dat op voormeld bedrag nog € 147,87 in mindering moet worden gebracht waardoor uiteindelijk een terug te vorderen bedrag van € 548,56 overblijft. Aangezien laatstgenoemde bedrag niet overeenkomt met het bedrag vermeld in het besluit van 8 februari 2011 kan dit besluit niet in stand blijven en moet het worden vernietigd. De Raad ziet in het vorenstaande aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb te bepalen dat het door het Uwv nog terug te vorderen bedrag op 8 februari 2011 € 548,56 netto bedraagt.

4.8. Appellant heeft de Raad verzocht om schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

4.9. Vanaf de ontvangst door het Uwv van het bezwaarschrift van appellant op 16 februari 2007 tot de datum van deze uitspraak zijn vier jaar en vier maanden verstreken. Gelet op 's Raads bestendige rechtspraak wordt de redelijke termijn in procedures als deze overschreden indien de procedure in haar geheel meer dan vier jaren in beslag heeft genomen. Conform zijn rechtspraak acht de Raad in het algemeen een vergoeding gepast van € 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden. Niet in geschil is dat de termijnoverschrijding aan het Uwv moet worden toegerekend. De Raad zal daarom het Uwv veroordelen tot betaling van een bedrag van € 500,- aan appellant.

5. De Raad ziet tot slot aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant, begroot op € 1.311,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep en op € 27,60 voor reiskosten van appellant.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 2 juli 2009 niet-ontvankelijk;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 8 februari 2011 gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat het door het Uwv van appellant terug te vorderen bedrag op de

8 februari 2011 € 548,56 bedraagt;

Veroordeelt het Uwv tot betaling aan appellant van € 500,- aan schadevergoeding;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van € 1.348,60;

Bepaalt dat het Uwv aan appellant het door hem betaalde griffierecht van € 107,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden als voorzitter en M. Greebe en F.J.L. Pennings als leden, in tegenwoordigheid van T. Dolderman als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2011.

(get.) C.P.J. Goorden.

(get.) T. Dolderman.

TM