Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ7617

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-04-2011
Datum publicatie
09-06-2011
Zaaknummer
09-353 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlaging bijstandsuitkering gedurende 3 maanden met 65%. Appellant is zonder bericht niet bij Paswerk verschenen. Omvang geding. Aangezien appellant geen bijstand ontving op de datum van de verweten gedraging kan hij niet als belanghebbende ingevolge art. 9, lid 1 aanhef en onder b, WWB worden aangemerkt. Besluit wordt vernietigd. Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid. Een maatregel van 65% gedurende een maand is niet onevenredig aan de ernst van de aan appellant verweten gedraging. Geen strijd met art. 6 en 8 EVRM.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

P R O C E S - V E R B A A L

van de mondelinge uitspraak op 26 april 2011 van de

CENTRALE RAAD VAN BEROEP

09/353 WWB

Zitting heeft: mr. J.J.A. Kooijman, als voorzitter, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier.

Betreft het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank van Haarlem van 2 december 2008, 08/3386 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem (hierna: College)

Het geding is behandeld op de zitting van 26 april 2011. Namens appellant is verschenen

mr. W.G. Fischer, advocaat te Haarlem. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. Dijkman Dulkes-Wan.

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving vanaf 17 mei 1999 met een onderbreking van 3 juli 2004 tot 29 september 2004 bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Bij besluit van 2 juli 2007 heeft het College de bijstand met ingang van 26 juni 2007 ingetrokken in verband met werkaanvaarding bij Paswerk. Bij brief van 30 juli 2007 heeft Paswerk appellant meegedeeld de arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang als eenzijdig verbroken te beschouwen in verband met herhaalde ongeoorloofde afwezigheid op het werk.

1.3. Appellant heeft op 3 augustus 2007 bij het College een aanvraag om bijstand ingediend. Op 3 september 2007 heeft appellant met Paswerk een arbeidsovereenkomst gesloten voor de periode van 7 september 2007 tot 7 juni 2008 met een proeftijd van 1 maand. Bij besluit van 3 september 2007 heeft het College aan appellant over de periode van 3 augustus 2007 tot 7 september 2007 bijstand toegekend naar de norm voor een alleenstaande. De uitkering werd slechts tot 7 september 2007 verleend in verband met de ophanden zijnde werkaanvaarding bij Paswerk. Het College heeft appellant voorts meegedeeld dat aanleiding bestaat om de bijstand gedurende drie maanden met 100% te verlagen op de grond dat appellant door eigen toedoen bij Paswerk werkloos is geworden, maar dat is besloten die maatregel niet op te leggen omdat de gedraging appellant niet volledig kan worden verweten.

1.4. Appellant is op maandag 10 september 2007 zonder bericht niet op zijn werk bij Paswerk verschenen. Bij brief van 12 september 2007 heeft Paswerk appellant meegedeeld de arbeidsovereenkomst met ingang van 10 september 2007 te beëindigen.

1.5. Appellant heeft op 18 september 2007 opnieuw bij het College bijstand aangevraagd. Bij besluit van 12 november 2007 heeft het College met ingang van 18 september 2007 bijstand toegekend naar de norm voor een alleenstaande. Bij dat besluit heeft het College tevens de bijstand met ingang van 1 december 2007 gedurende drie maanden met 65% verlaagd. Appellant heeft tegen de verlaging bezwaar gemaakt. Bij besluit van 4 maart 2008 heeft het College het bezwaar ongegrond verklaard. Aan de handhaving van de maatregel heeft het College ten grondslag gelegd dat appellant door op 10 september 2007 zonder bericht niet bij Paswerk te verschijnen de ingevolge artikel 9, eerste lid aanhef en onder b, van de WWB op hem rustende verplichting om gebruik te maken van een door het College aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling niet of onvoldoende is nagekomen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft het College het beroep van appellant tegen het besluit 4 maart 2008 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat appellant een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de WWB heeft betoond en dat het College daarom verplicht was een maatregel op te leggen.

3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.1. De Raad stelt eerst - ambtshalve - vast dat de rechtbank haar oordeel over de handhaving van de verlaging niet heeft gebaseerd op een daaraan door het College aan het besluit van 4 maart 2008 ten grondslag gelegde grond. Naar vaste rechtspraak van de Raad verdraagt zich niet met de in artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde afbakening van de omvang van het geding dat de bestuursrechter in het kader van de toetsing van het in beroep bestreden besluit de grondslag van dat besluit uitbreidt. De Raad ziet, mede gelet op het gegeven dat artikel 8:69, eerste lid, van de Awb van openbare orde is, reeds in het voorgaande aanleiding de aangevallen uitspraak te vernietigen. De Raad zal vervolgens doen hetgeen de rechtbank zou behoren te doen en het besluit van 4 maart 2008 beoordelen.

3.2. De Raad stelt voorts vast dat op appellant ten tijde van de hem door het College verweten gedraging op 10 september 2007 niet de verplichtingen rustten als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de WWB. Op die datum ontving appellant immers geen bijstand meer, zodat hij niet als belanghebbende als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de WWB kon worden aangemerkt. Dat betekent dat het College aan het besluit van 4 maart 2008 ten onrechte ten grondslag heeft gelegd dat appellant een ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB op hem rustende verplichting niet of onvoldoende is nagekomen. Gemachtigde van het College heeft dat ter zitting van de Raad desgevraagd erkend. De Raad ziet hierin aanleiding om het besluit van 4 maart 2008 te vernietigen.

3.3. De Raad ziet voorts aanleiding zelf in de zaak te voorzien en overweegt daartoe als volgt.

3.3.1. Tussen partijen is niet in geschil dat appellant op 10 september 2007 zonder bericht niet is verschenen op zijn werk bij Paswerk. Evenmin is in geschil dat de betreffende gedraging appellant kan worden verweten. Dat betekent dat appellant onvoldoende besef van

verantwoordelijkheid heeft betoond voor de voorziening in het bestaan en dat het College op die grond gehouden was de bijstand met toepassing van artikel 18, tweede lid, van de WWB overeenkomstig de verordening bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van de WWB te verlagen.

3.3.2. De in artikel 8, eerste lid onderdeel b, van de WWB bedoelde verordening is de Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand van de gemeente Haarlem (hierna: Verordening). In artikel 12, eerste lid, van de Verordening is bepaald dat indien een belanghebbende blijk geeft van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan een maatregel kan worden opgelegd uit de derde categorie waarbij in dit geval de standaardperiode genoemd in het tweede lid, onderdeel c van artikel 9 van deze verordening afwijkend kan worden vastgesteld. In artikel 9, tweede lid, aanhef en onder c, van de Verordening is bepaald dat voor een overtreding van de derde categorie de hoogte en duur van de maatregel twintig procent van de bijstandsnorm gedurende een maand bedraagt. Op grond van artikel 18, eerste lid, van de WWB in verbinding met artikel 2, tweede lid, van de Verordening wordt een maatregel afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de omstandigheden waarin hij verkeert.

3.3.3. Gemachtigde van het College heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat in dit geval met toepassing van artikel 18, eerste lid, van de WWB in verbinding met artikel 2, tweede lid, van de Verordening moet worden afgeweken van de in artikel 12, eerste lid, in verbinding met artikel 9, tweede lid, aanhef en onder c, van de Verordening genoemde standaardmaatregel. Gelet op de verzwarende omstandigheid dat appellant in juli 2007 diverse malen ongeoorloofd afwezig is geweest op zijn werk bij Paswerk en het dienstverband op die grond is beëindigd, had de bijstand van appellant gedurende één maand moeten worden verlaagd met 65%. Gemachtigde van appellant heeft ter zitting van de Raad verklaard te kunnen instemmen met een maatregel van 20% gedurende een maand.

3.3.4. De Raad is met het College van oordeel dat de omstandigheid dat appellant in juli 2007 diverse malen ongeoorloofd afwezig was op zijn werk bij Paswerk aanleiding geeft een zwaardere maatregel op te leggen dan de in de Verordening bij onvoldoende betoond besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan voorziene standaardmaatregel. De door het College geopperde maatregel van 65% gedurende een maand acht de Raad niet onevenredig aan de ernst van de aan appellant verweten gedraging, de mate waarin appellant de gedraging verweten kan worden en de omstandigheden waarin hij verkeert. Hij neemt daarbij in aanmerking dat appellant tweemaal in dienst is getreden bij Paswerk in het kader van een voor hem vastgesteld re-integratietraject en dat aan die dienstverbanden na korte tijd een einde is gekomen om redenen die appellant zijn aan te rekenen. Appellant had, gelet op de lange duur van zijn werkloosheid en bijstandsafhankelijkheid, extra zorgvuldig dienen om te springen met de hem in het kader van het re-integratietraject geboden kansen.

3.3.5. Voor zover appellant heeft betoogd dat een verlaging van de bijstand met 65% gedurende een maand in zijn geval in strijd komt met artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) volgt de Raad appellant hierin niet. Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 14 maart 2011,

LJN BP6843, is de Raad van oordeel dat weliswaar kan worden aangenomen dat appellant door deze verlaging beperkt is in de ontwikkeling van zijn persoon in relatie tot anderen, maar niet is gebleken van onevenredig nadelige gevolgen in verhouding tot de publieke belangen betrokken bij de afstemming van bijstand. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat de verlaging zich over een korte periode uitstrekt, dat de verlaging beperkt blijft tot 65% en dat op basis van het besluit van 12 november 2007 korte tijd nadien een nabetaling van bijstand is gedaan over de periode van 18 september 2007 tot 1 december 2007.

3.3.6. Voor zover appellant heeft betoogd dat een vanwege onvoldoende betoond besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan opgelegde verlaging van de bijstand met 65% gedurende één maand een straf is en daarom in strijd komt met artikel 6 van het EVRM, volgt de Raad appellant hierin evenmin. Volgens vaste rechtspraak van de Raad kan een vanwege onvoldoende betoond besef voor de voorziening in het bestaan opgelegde verlaging van de bijstand immers niet worden aangemerkt als een ‘criminal charge’ in de zin van die verdragsbepaling. De Raad ziet geen aanleiding in dit geval anders te oordelen.

3.3.7. Gelet op hetgeen onder 3.3.1 tot en met 3.3.6 is overwogen ziet de Raad aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder c, van de Awb te bepalen dat het besluit van 12 november 2007 wordt herroepen voor zover het betreft de duur van de opgelegde verlaging en de duur van de verlaging te bepalen op één maand.

4. De Raad ziet voorts aanleiding het College te veroordelen in de kosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in bezwaar, € 644,-- in beroep en € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

5. De Raad, recht doende, komt tot de volgende beslissing:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 4 maart 2008;

Herroept het besluit van 12 november 2007 voor zover het betreft de duur van de verlaging en bepaalt de duur van de verlaging op één maand;

Veroordeelt het College in de kosten van appellant: in bezwaar tot een bedrag van € 644,-- te betalen aan appellant, in beroep tot een bedrag van € 644,-- te betalen aan de griffier van de Raad en in hoger beroep tot een bedrag van € 644,-- te betalen aan appellant;

Bepaalt dat het College aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 146,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier.

Waarvan proces-verbaal.

Utrecht, 26 april 2011

De griffier, De voorzitter,

R.L.G. Boot J.J.A. Kooijman

RB