Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ7534

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-05-2011
Datum publicatie
09-06-2011
Zaaknummer
10-2197 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om de salarisinschaling met vier periodieken te verhogen. Nu appellante noch in de functie VLA/SUC noch in de functie VLA/GC aangesteld is geweest op niveau 1 kan ten aanzien van haar niet worden gesproken van “het oorspronkelijke salaris in niveau 1” als bedoeld in de bijlagen 1g en 1f bij de RLBV. De directe aanstelling op niveau 2 kan in het licht van de RLBV overigens zeker niet onjuist worden geacht. De vraag of een redelijke toepassing van deze bijlagen niet meebrengt dat appellante (twee maal) twee treden (periodieken) hoger had moeten worden ingeschaald, beantwoordt de Raad ontkennend nu gebleken is dat het oorspronkelijke salaris van appellante al hoger was dan het salaris op niveau 1 bij de functies VLA/SUC, verhoogd met twee periodieken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2011/195
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/2197 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 8 maart 2010, 09-3550 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het Bestuur van de Luchtverkeersleiding Nederland (hierna: bestuur)

Datum uitspraak: 26 mei 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 april 2011. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. A.J. Abbing, advocaat te Amersfoort. Het bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.M.C. de Haan, werkzaam bij de Luchtverkeersleiding Nederland (hierna: LVNL).

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante was met ingang van 3 maart 2003 voor onbepaalde tijd in tijdelijke dienst aangesteld bij de LVNL. Zij is toen de opleiding tot verkeersleider gaan volgen. In dit kader heeft zij op 29 juli 2004 het bewijs van bevoegdheid voor de functie van verkeersleidingsassistent/start-up controller (hierna: VLA/SUC) behaald. Vervolgens heeft zij op 13 april 2005 haar eerste deelbevoegdheid (Ground) voor de functie van verkeersleider behaald.

1.2. Op 22 juni 2006 is de opleiding van appellante beëindigd wegens het behalen van onvoldoende resultaten. Tevens is haar met ingang van 23 september 2006 ontslag verleend. Daarbij is haar evenwel meegedeeld dat verwacht werd dat tijdens de opzegtermijn een vacature voor de functie van VLA/SUC zal ontstaan, waarop zij dan kan solliciteren.

Met ingang van 1 september 2006 is appellante in vaste dienst aangesteld als VLA/SUC op niveau 2. Vervolgens is zij met ingang van 1 september 2007 benoemd tot verkeersleidingsassistent/ground controller (hierna: VLA/GC) op niveau 2.

1.3. Bij brief van 23 juni 2008 heeft appellante het bestuur verzocht haar salarisinschaling met vier periodieken te verhogen. Daarbij wees zij op haar collega G die volgens appellante precies hetzelfde opleidingstraject als zij heeft gevolgd en bij zijn aanstelling als VLA/SUC op niveau 2 twee extra periodieken heeft gekregen en bij zijn aanstelling als VLA/GC op niveau 2 eveneens. Nu appellante deze extra periodieken niet heeft ontvangen, acht zij zich ongelijk behandeld.

1.4. Bij besluit van 14 juli 2008 heeft het bestuur dit verzoek van appellante afgewezen. Bij het bestreden besluit van 12 juni 2009 heeft het bestuur na door appellante gemaakt bezwaar het besluit van 14 juli 2008 gehandhaafd.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.

3.1. De Raad overweegt eerst dat appellante terecht de grief naar voren heeft gebracht dat de rechtbank het bestreden besluit alleen aan het gelijkheidsbeginsel heeft getoetst en niet ook aan de overige door haar aangevoerde beroepsgronden. Hetgeen de Raad hierna zal overwegen brengt evenwel mee dat dit verder geen gevolgen heeft.

3.2. Een bestuursorgaan is in het algemeen bevoegd een verzoek van een belanghebbende om van een eerder ambtshalve genomen besluit terug te komen inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Bewoordingen en strekking van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) staan daaraan niet in de weg. Indien het bestuursorgaan met gebruikmaking van deze bevoegdheid de eerdere afwijzing handhaaft, kan een terzake ingesteld beroep echter niet de weg openen naar een toetsing als betrof het een oorspronkelijk besluit. Een dergelijke wijze van toetsen zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijk voorgeschreven termijn(en) voor het instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. De bestuursrechter dient dan ook de oorspronkelijke afwijzing tot uitgangspunt te nemen.

In gevallen als dit, waarin een duuraanspraak in het geding is, is het voorts aangewezen bij de toetsing een onderscheid te maken tussen het verleden en de toekomst (CRvB 1 februari 2001, LJN AB0250 en TAR 2001, 43). Wat betreft de periode voorafgaande aan het verzoek om terug te komen, dient de bestuursrechter zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien. Wat betreft de periode daarna moet een minder terughoudende toetsingsmaatstaf worden gehanteerd. Daarom zal het bij een duur-aanspraak in de regel niet met een evenwichtige en zorgvuldige belangenafweging verenigbaar zijn dat een besluit waarbij ten onrechte geen of een te lage aanspraak is toegekend blijvend aan de verzoeker wordt tegengeworpen. Eerbiediging van de rechtszekerheid, waarop immers ook het bestuursorgaan aanspraak kan maken, is voor de toekomst van minder belang dan voor het verleden.

3.3. Voor de vraag of hier sprake is van een nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid als onder 3.2 bedoeld, is van belang of het beroep dat appellante op het gelijkheidsbeginsel heeft gedaan, slaagt. In dit verband merkt de Raad op dat uit artikel 9 van de Regeling loopbaanvorming voor uitvoerende operationele functies LVNL (RLBV) blijkt dat een betrokkene na positieve examinering voor een bepaalde functie in die functie op niveau 1 wordt aangesteld. Blijkens bijlage 0 bij de RLBV kan de betrokkene na twee jaar doorstromen naar niveau 2. Voorts is in bijlage 1g bij de RLBV voor de functie VLA/SUC bepaald dat benoeming in niveau 2 geschiedt bij het voldoen aan de aan dit niveau te stellen voorwaarden, waaronder minimaal twee jaar operationele ervaring; de inpassing in de tredenlijn behorende bij dit niveau vindt plaats op een salaris dat twee treden hoger ligt dan het oorspronkelijke salaris in niveau 1. In bijlage 1f is voor de functie VLA/GC hetzelfde bepaald.

Appellante is in beide onder 1.2 vermelde functies nimmer in niveau 1 aangesteld geweest. Ingaande 1 september 2006 is appellante meteen op niveau 2 in de functie VLA/SUC aangesteld omdat zij op 29 juli 2004 het desbetreffende diploma had behaald en daarom geacht werd over twee jaar operationele ervaring te beschikken. Bij de aanstelling ingaande 1 september 2007 op niveau 2 in de functie LVA/GC gaat het om een soortgelijke situatie omdat appellante op 13 april 2005 al het desbetreffende diploma had behaald. In deze opzichten verschilt de situatie van appellante met die van haar collega G. Deze collega is in beide genoemde functies eerst op niveau 1 aangesteld omdat hij minder dan twee jaren vóór elk van beide aanstellingen het desbetreffende diploma had behaald. Dit betekent dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt. Ook overigens heeft appellante geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als hiervoor bedoeld, naar voren gebracht.

3.4. Voorts dient te worden bezien of het bestuur aanleiding had behoren te zien om het salaris van appellante voor de periode na de datum van haar verzoek te verhogen. Nu appellante noch in de functie VLA/SUC noch in de functie VLA/GC aangesteld is geweest op niveau 1 kan ten aanzien van haar niet worden gesproken van “het oorspronkelijke salaris in niveau 1” als bedoeld in de bijlagen 1g en 1f bij de RLBV. De directe aanstelling op niveau 2 kan in het licht van de RLBV overigens zeker niet onjuist worden geacht. De vraag of een redelijke toepassing van deze bijlagen niet meebrengt dat appellante (twee maal) twee treden (periodieken) hoger had moeten worden ingeschaald, beantwoordt de Raad ontkennend nu gebleken is dat het oorspronkelijke salaris van appellante al hoger was dan het salaris op niveau 1 bij de functies VLA/SUC, verhoogd met twee periodieken.

3.5. De omstandigheid dat de collega G in zekere zin heeft geprofiteerd van de letterlijke toepassing die het bestuur in zijn geval aan de RLBV heeft gegeven, betekent niet dat het bestuur appellante had moeten tegemoetkomen. Afgezien van het feit dat het geval van appellante niet met dat van G op een lijn kan worden gesteld, verdient daarbij opmerking dat het geval van G geheel op zichzelf staat; andere collega’s zijn op dezelfde wijze als appellante behandeld.

3.6. Ook anderszins heeft de Raad in hetgeen is aangevoerd geen grond gevonden voor het oordeel dat het bestuur bij het nemen van het bestreden besluit heeft gehandeld in strijd met geschreven of ongeschreven recht.

4. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak komt met verbetering van gronden voor bevestiging in aanmerking.

5. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en B.J. van de Griend als leden, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2011.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) K. Moaddine.

HD