Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ7527

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-05-2011
Datum publicatie
09-06-2011
Zaaknummer
10-1367 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Door in de bestreden besluiten, die zijn genomen ter uitvoering van de uitspraken van 5 december 2007, te volstaan met het kwalificeren van uitsluitend de door appellanten in de bedenkingen- en bezwarenfase aangevoerde werkzaamheden, is dan ook naar het oordeel van de Raad geen gevolg gegeven aan de opdracht van de rechtbank om opnieuw te beslissen op de bezwaren van appellanten met inachtneming van hetgeen in de uitspraken van 5 december 2007 is overwogen. Daarbij heeft de Raad tevens in aanmerking genomen dat volgens de gemachtigde van appellanten niet gezegd kan worden dat hetgeen appellanten in de bedenkingen- en bezwarenfase omtrent hun werkzaamheden naar voren hebben gebracht een compleet beeld geeft van hun werkzaamheden. De besluitvorming van de korpsbeheerder voldoet dan ook niet aan de in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht neergelegde eis dat een besluit zorgvuldig dient te worden voorbereid en ontbeert tevens een deugdelijke motivering als bedoeld in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Vernietiging besluiten. Nieuwe besluiten op bezwaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2011/191 met annotatie van mr. B. Kaya LL.M
BA 2011/143
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/1367 AW Q.

10/1368 AW

10/1369 AW

10/1370 AW

10/1371 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[Appellant 1], wonende te [woonplaats 1],

[Appellant 2], wonende te [woonplaats 2],

[Appellant 3], wonende te [woonplaats 3]

[Appellant 4], wonende te [woonplaats 4],

[Appellant 5], wonende te [woonplaats 5], (hierna: appellanten),

tegen de uitspraken van de rechtbank Middelburg van 21 januari 2010, 08/208, 08/209, 08/210, 08/211, 08/212, (hierna: aangevallen uitspraken),

in de gedingen tussen:

appellanten

en

de Korpsbeheerder van de politieregio [regio] (hierna: korpsbeheerder)

Datum uitspraak: 19 mei 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellanten hebben hoger beroep ingesteld.

De korpsbeheerder heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting, waar de gedingen gevoegd zijn behandeld, heeft plaatsgevonden op 10 maart 2011. Appellant Gude is verschenen, bijgestaan door mr. N.D. Dane, werkzaam bij de Nederlandse Politie Bond. Deze laatste is ook verschenen als gemachtigde van de overige appellanten. De korpsbeheerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.W.H. van den Berg en mr. W.M.H.J Gossen, beiden werkzaam bij de politieregio [regio].

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een meer uitgebreide weergave van de in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraken. De Raad volstaat hier met het volgende.

1.1. Appellanten waren werkzaam in de functie van rechercheur A bij de politieregio [regio]. In het kader van het zogenoemde project Organisatieonderhoud heeft de korpsbeheerder bij besluiten van 11 mei 2005 appellanten met ingang van 1 januari 2005 geplaatst in de functie van Tactisch Rechercheur A bij de politieregio [regio] en de beschrijving van die functie vastgesteld. Na bezwaar heeft de korpsbeheerder de besluiten van 11 mei 2005 gehandhaafd bij besluiten van 5 januari 2006, respectievelijk 30 maart 2006. De rechtbank heeft bij uitspraken van 8 november 2006, 06/219, 06/221, 06/222 en 06/223, de beroepen die waren ingesteld tegen de besluiten van 5 januari 2006, gegrond verklaard, die besluiten wegens onzorgvuldige voorbereiding en motiveringsgebrek vernietigd en bepaald dat de korpsbeheerder nieuwe beslissingen op bezwaar neemt met inachtneming van die uitspraken. Tegen deze uitspraken zijn geen hoger beroepen ingesteld. Ter uitvoering van die uitspraken heeft de korpsbeheerder bij besluiten van 13 april 2007 ten aanzien van appellanten opnieuw de besluiten van 11 mei 2005 gehandhaafd. Bij uitspraken van 5 december 2007, 06/584, 07/147, 07/149, 07/150, 07/151, heeft de rechtbank - voor zover hier van belang - de beroepen van appellanten tegen de besluiten van 13 april 2007 gegrond verklaard, die besluiten opnieuw wegens onzorgvuldige voorbereiding en motiveringsgebrek vernietigd en bepaald dat de korpsbeheerder nieuwe beslissingen op bezwaar neemt met inachtneming van die uitspraken. Ook tegen de uitspraken van 5 december 2007 zijn geen hoger beroepen ingesteld.

1.2. De korpsbeheerder heeft bij de bestreden besluiten van 21 januari 2008 naar aanleiding van de uitspraken van 5 december 2007 de bezwaren van appellanten tegen de besluiten van 11 mei 2005 wederom ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraken de beroepen die appellanten hebben ingesteld tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep betogen appellanten primair dat de rechtbank er in de aangevallen uitspraken aan voorbij heeft gezien dat de korpsbeheerder geen uitvoering heeft gegeven aan de uitspraken van de rechtbank van 5 december 2007.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1. De Raad ziet aanleiding allereerst in te gaan op het ter zitting van de Raad gedane beroep van appellanten op overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

4.2. Voor de wijze van beoordeling van het verzoek van appellanten om schadever-goeding wegens overschrijding van de redelijke termijn verwijst de Raad naar zijn uitspraken van 26 januari 2009, LJN BH1009, en 25 maart 2009, LJN BI2044.

4.3. Dit betekent voor de voorliggende gevallen het volgende. Vanaf de ontvangst door de korpsbeheerder van de bezwaarschriften van appellanten op 4 juli 2005 respectievelijk

8 juli 2005 respectievelijk 13 juli 2005 tot de datum van deze uitspraak zijn vijf jaar en ruim negen maanden verstreken. De Raad heeft vooralsnog noch in de zaken zelf, noch in de opstelling van appellanten aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in deze gevallen de totale lengte van de procedure meer dan vier jaren zou mogen bedragen. De redelijke termijn is derhalve met een jaar en negen maanden overschreden.

4.4. De Raad stelt vast dat de behandelingsduur in de rechterlijke fase de redelijke termijn niet heeft overschreden. De termijnoverschrijding is dan ook volledig aan de korpsbeheerder toe te rekenen. Van feiten of omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat geen sprake is geweest van spanning en frustratie die als immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken. De door appellanten geleden schade moet voor ieder van hen worden vastgesteld op vier maal € 500,-. Dat is € 2.000,-.

4.5. Uit het voorgaande vloeit voort dat de Raad - met vernietiging van de aangevallen uitspraak - de beroepen gegrond zal verklaren, de bestreden besluiten zal vernietigen en de korpsbeheerder, waaraan deze overschrijding moet worden toegerekend, zal veroordelen tot een schadevergoeding van € 2000,- per appellant.

5. De Raad zal vervolgens beoordelen of er aanleiding bestaat de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten in stand te laten. Daartoe wordt het volgende overwogen.

5.1. Bij de uitspraken van 5 december 2007 heeft de rechtbank de besluiten van 13 april 2007 vernietigd omdat volgens de rechtbank de korpsbeheerder bij die besluiten heeft nagelaten op een genoegzame manier invulling te geven aan haar uitspraken van 8 november 2006. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat de korpsbeheerder ter uitvoering van laatstgenoemde uitspraken nader onderzoek had moeten verrichten naar de feitelijk verrichte werkzaamheden van appellanten. Nu de rechtbank niet is gebleken dat de korpsbeheerder een dergelijk onderzoek heeft verricht, zijn volgens de rechtbank de feitelijk door appellanten verrichte werkzaamheden niet kenbaar en kan niet getoetst worden of de plaatsing van appellanten in de functie van Tactisch Rechercheur A en de bij die functie behorende beschrijving stand houden. De rechtbank heeft vervolgens bij de uitspraken van 5 december 2007 de korpsbeheerder opdracht gegeven nieuwe beslissingen op bezwaren te nemen met inachtneming van die uitspraken. Nu tegen deze uitspraken van 5 december 2007 geen hoger beroepen zijn ingesteld, staan deze uitspraken in rechte vast en dient de korpsbeheerder gevolg te geven aan deze uitspraken.

5.2. Omdat volgens de korpsbeheerder na zoveel jaren veelal niet meer te achterhalen was welke werkzaamheden appellanten daadwerkelijk hebben verricht, is door de korpsbeheerder bij de bestreden besluiten zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij hetgeen appellanten zelf daarover in de bedenkingen- en bezwarenfase hebben aangevoerd.

5.3. De Raad stelt evenwel vast dat ten tijde van de uitspraken van 5 december 2007 de rechtbank reeds bekend was met hetgeen appellanten in de bedenkingen- en de bezwarenfase omtrent hun werkzaamheden hadden aangevoerd. Desondanks oordeelde de rechtbank in die uitspraken dat de feitelijk door appellanten verrichte werkzaamheden niet kenbaar waren. Door in de bestreden besluiten, die zijn genomen ter uitvoering van deze uitspraken van 5 december 2007, te volstaan met het kwalificeren van uitsluitend de door appellanten in de bedenkingen- en bezwarenfase aangevoerde werkzaamheden, is dan ook naar het oordeel van de Raad geen gevolg gegeven aan de opdracht van de rechtbank om opnieuw te beslissen op de bezwaren van appellanten met inachtneming van hetgeen in de uitspraken van 5 december 2007 is overwogen. Daarbij heeft de Raad tevens in aanmerking genomen dat volgens de gemachtigde van appellanten niet gezegd kan worden dat hetgeen appellanten in de bedenkingen- en bezwarenfase omtrent hun werkzaamheden naar voren hebben gebracht een compleet beeld geeft van hun werkzaamheden. De besluitvorming van de korpsbeheerder voldoet dan ook niet aan de in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde eis dat een besluit zorgvuldig dient te worden voorbereid en ontbeert tevens een deugdelijke motivering als bedoeld in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.

6. Gelet op het hiervoor overwogene is er geen aanleiding de rechtsgevolgen van de bestreden besluiten in stand te laten. De korpsbeheerder dient met inachtneming van het hetgeen hiervóór is overwogen nieuwe beslissingen te nemen op de bezwaren van appellanten. Daarbij dient de korpsbeheerder eerst door middel van een deugdelijk onderzoek de feitelijke door appellanten ten tijde in geding verrichte werkzaamheden vast te stellen en vervolgens dient de korpsbeheerder die werkzaamheden te kwalificeren.

7. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding de korpsbeheerder op grond van artikel 8:75 van de Awb in verbinding met artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage te veroordelen in de proceskosten van appellanten. Deze worden, uitgaande van vijf samenhangende zaken, begroot op een bedrag van (€ 644 x 1,5: 5 =) € 193,20 per appellant wegens in eerste aanleg verleende rechtsbijstand en een bedrag van (€ 874 x 1,5 : 5 =) € 262,20 per appellant wegens in hoger beroep verleende rechtsbijstand, in totaal € 455,40 per appellant.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraken;

Verklaart de beroepen tegen de bestreden besluiten gegrond en vernietigt die besluiten;

Draagt de korpsbeheerder op nieuwe beslissingen te nemen op de bezwaren tegen de besluiten van 11 mei 2005 met inachtneming van deze uitspraak van de Raad;

Veroordeelt de korpsbeheerder tot betaling van een schadevergoeding van € 2.000,- aan iedere appellant;

Veroordeelt de korpsbeheerder in de proceskosten in beroep en in hoger beroep tot een bedrag van € 455,40 aan iedere appellant;

Bepaalt dat de korpsbeheerder aan ieder van appellanten het door hen in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 366,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en D.A.C. Slump als leden, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2011.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) K. Moaddine.

HD