Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ7379

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-06-2011
Datum publicatie
09-06-2011
Zaaknummer
11-2123 ZW-VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening. Geen spoedeisend belang. Geen stukken in het geding gebracht welke kunnen dienen ter onderbouwing van de stellingen met betrekking tot een financiële noodsituatie. Bovendien geen bijstand aangevraagd. Ondersteuning door familie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/2123 ZW-VV

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

U I T S P R A A K

als bedoeld in artikel 8:84, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet op het verzoek om voorlopige voorziening van:

[Verzoeker], wonende te [woonplaats] (hierna: verzoeker),

in verband met het hoger beroep van:

verzoeker,

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 9 september 2010, 10/1823 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

verzoeker

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)

Datum uitspraak: 1 juni 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens verzoeker heeft mr. H. van Straten, advocaat te Tiel, een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 mei 2011. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door mr. Van Straten. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.J. Reith.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de voor de beoordeling van het verzoek van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de voorzieningenrechter naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

2. Bij besluit van 15 maart 2010 heeft het Uwv verzoeker meegedeeld dat zijn uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) met ingang van 22 maart 2010 wordt beëindigd, omdat verzoeker op die datum geschikt wordt geacht om zijn arbeid te verrichten. Bij besluit van 18 mei 2010 (hierna: bestreden besluit) is het bezwaar van verzoeker tegen het besluit van 15 maart 2010 ongegrond verklaard.

3. Bij de aangevallen uitspraak van 9 september 2010 heeft de rechtbank het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

4. In hoger beroep heeft verzoeker zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. In zijn verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft hij verzocht om de voorlopige voorziening te treffen inhoudende het onmiddellijk en onverkort hervatten en uitbetalen van de aan hem vanaf de datum 22 maart 2010 toekomende uitkering ingevolge de ZW tot het moment waarop in hoger beroep is beslist.

5. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

5.1. Ingevolge artikel 8:81 van de Awb en artikel 21 van de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

5.2. De voorzieningenrechter stelt voorop dat volgens vaste rechtspraak van de Raad, zie onder meer de uitspraak van de Raad van 2 december 2003 (LJN AO0764), de mogelijkheid om hangende (hoger) beroep een verzoek om een voorlopige voorziening te doen, niet is bedoeld om door middel van zogenoemde “kortsluiting” de behandeling van de hoofdzaak te bespoedigen. Indien van enig spoedeisend belang bij een voorlopige voorziening voorafgaand aan de uitspraak in de hoofdzaak geen sprake is, is daarin een grond gelegen om geen gebruik te maken van de in artikel 8:86, eerste lid, van de Awb neergelegde bevoegdheid onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak en het verzoek om een voorlopige voorziening af te wijzen.

5.3. Namens verzoeker is aangevoerd dat het spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening is gelegen in het feit dat verzoeker als gevolg van het besluit van 15 maart 2010 niet meer de beschikking heeft over een uitkering, waardoor hij niet meer in zijn levensonderhoud kan voorzien.

5.4. De beantwoording van de vraag of sprake is van onverwijlde spoed spitst zich in het onderhavige geval in het bijzonder toe op de vraag of sprake is van een spoedeisend belang in financieel opzicht.

5.5. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker er niet in geslaagd is aannemelijk te maken dat sprake is van een spoedeisend belang bij het treffen van de door hem verzochte voorlopige voorziening. In dit verband laat de voorzieningenrechter in het bijzonder wegen dat van de zijde van verzoeker in het geheel geen stukken in het geding zijn gebracht welke kunnen dienen ter onderbouwing van zijn stellingen met betrekking tot zijn financiële noodsituatie. Voorts kan er niet aan worden voorbijgezien dat verzoeker na de intrekking van zijn ZW-uitkering nimmer een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand heeft gedaan. Desgevraagd naar de reden heeft verzoeker ter zitting verklaard dat hij niet voor een bijstandsuitkering in aanmerking komt, aangezien zijn echtgenote inkomsten uit arbeid geniet. Voorts heeft verzoeker nog aangegeven dat hij door familie ondersteund wordt.

5.6. Ook op andere wijze is de voorzieningenrechter niet gebleken van een voor verzoeker zo zwaarwegend belang dat de behandeling van de bodemprocedure niet door hem zou kunnen worden afgewacht. Het verzoek om een voorlopige voorziening dient dan ook te worden afgewezen.

6. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen.

7. Voor een proceskostenveroordeling ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Awb af.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 juni 2011.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) R.L. Rijnen.

TM