Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ7342

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-06-2011
Datum publicatie
08-06-2011
Zaaknummer
10-3921 WAZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling aanvang termijn. De redelijke termijn is wat betreft de periode van 25 oktober 2004 tot 12 mei 2006 in de rechterlijke fase niet geschonden. Nu tegen de uitspraak van 24 maart 2009 geen hoger beroep is ingesteld, kan de genoemde termijn thans niet meer worden meegeteld en heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de termijn aanvangt met ingang van de dag waarop het beroepschrift tegen het besluit van 29 mei 2007 is ontvangen, zijnde 25 juni 2007.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/3921 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 23 juni 2010, 07/928 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Staat der Nederlanden (minister van Veiligheid en Justitie), (hierna: Staat).

Datum uitspraak: 1 juni 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft R.T. van Baarlen, werkzaam bij Fiscount Arbeid en Recht B.V. te Zwolle, hoger beroep ingesteld.

Namens de Staat heeft mr. E.H. Linckens, werkzaam bij de Raad voor de rechtspraak, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 april 2011. Namens appellant is Van Baarlen verschenen. De Staat heeft zich met voorafgaand bericht niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 29 mei 2007 heeft de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) het bezwaar van appellant tegen het besluit van 15 oktober 2004 tot het weigeren van een uitkering op grond van Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen gegrond verklaard en een uitkering toegekend, berekend naar de arbeidsongeschiktheidsklasse van 45 tot 55%. Hangende het beroep tegen dat besluit heeft het Uwv op 23 juli 2007 een nieuw besluit op bezwaar genomen, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld naar de klasse van

55 tot 65%.

1.2. Bij uitspraak van 21 december 2009 heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 29 mei 2007 niet ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het besluit van 23 juli 2007 ongegrond verklaard. Voorts heeft de rechtbank - voor zover hier van belang- bepaald dat het onderzoek wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over de door appellant gevraagde schadevergoeding in verband met de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn door de rechtbank, waarbij tevens de Staat (de minister van Veiligheid en Justitie) als partij in die procedure wordt aangemerkt. Met betrekking tot de periode van 25 oktober 2004 tot 12 mei 2006, waarin de rechtbank het beroep van appellant gericht tegen het besluit van het Uwv van 15 oktober 2004 heeft behandeld, heeft de rechtbank opgemerkt dat zij wat betreft deze periode in haar uitspraak van 24 maart 2009 (AWB 08/148) reeds heeft overwogen dat de rechtbank de redelijke termijn niet heeft overschreden en dat voormelde periode in onderhavige procedure derhalve niet meer aan de orde zal worden gesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de Staat (minister van Veiligheid en Justitie) veroordeeld tot betaling aan appellant van een schadevergoeding ten bedrage van € 1.500,--, alsmede tot vergoeding van de proceskosten. Met betrekking tot de vraag of de redelijke termijn in de rechterlijke fase is overschreden, heeft de rechtbank vastgesteld dat de behandeling van het beroep van appellant bij de rechtbank vanaf de ontvangst van het beroepschrift op 25 juni 2007 tot datum van de aangevallen uitspraak twee jaar en ruim elf maanden heeft geduurd en dat de redelijke termijn derhalve met één jaar en ruim vijf maanden is overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van drie maal € 500,--, dat is € 1.500,--. Wat betreft de gestelde termijnoverschrijding in de eerdere procedure van appellant bij de rechtbank, verwijst de rechtbank naar haar uitspraak van

24 maart 2009, waarin zij heeft overwogen dat zij de redelijke termijn niet heeft overschreden.

3.1. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de verschillende beroepsprocedures hebben geduurd van 25 oktober 2004 tot 12 mei 2006 en van 22 juni 2007 tot 23 juni 2010, in totaal derhalve 54 maanden en 17 dagen. Volgens appellant is daarmee de redelijke termijn met 36 maanden en 17 dagen overschreden, hetgeen moet leiden tot een schadevergoeding van € 3.500,--. Voorts blijft hij zich op het standpunt stellen dat de rechtbank in haar uitspraak van 24 maart 2009 buiten de omvang van het geding is getreden, door tevens uitspraak te doen over een periode van overschrijding van 25 oktober 2004 tot 12 mei 2006 en daaraan voor appellant pas rechtsgevolgen verbindt in de uitspraak van 21 december 2009 en de thans bestreden uitspraak.

3.2. In verweer is namens de Staat aangegeven dat de procedure is aangevangen op 25 juni 2007 en is geëindigd op 21 december 2009, omdat de periode van de behandeling van het schadevergoedingsverzoek niet meetelt. Dat betekent dat de behandelingsduur in beroep met bijna één jaar is overschreden, hetgeen leidt tot een schadevergoeding van

€ 1.000,--.

4. De Raad, oordelend over hetgeen appellant tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, overweegt het volgende.

4.1. De Raad stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat in de procedure bij de rechtbank sprake is van schending van de redelijke termijn en dat de omstandigheden van het geval geen aanknopingspunten bieden om de redelijke termijn voor de behandeling van het beroep op meer dan anderhalf jaar te stellen.

4.2. Wat betreft de berekening van de overschrijding van de termijn verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 4 mei 2010, LJN BM4034. Voor het onderhavige geval houdt dat in dat de termijn is aangevangen op de datum van de ontvangst van het beroepschrift, zijnde

25 juni 2007, en dat de termijn is geëindigd op de datum waarop uitspraak is gedaan in het bodemgeschil, te weten 21 december 2009. De behandeling van het beroep heeft dus twee jaar en bijna zes maanden geduurd. Dat betekent dat de redelijke termijn met bijna één jaar is overschreden. Tussen partijen is dit, blijkens het verhandelde ter zitting, evenmin in geschil.

4.3. Naar aanleiding van de door appellant aangevoerde grond tegen het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de periode dat de redelijke termijn is overschreden, overweegt de Raad dat de rechtbank naar zijn oordeel terecht heeft vastgesteld dat de rechtbank met haar uitspraak van 24 maart 2009, 08/148, reeds zonder voorbehoud heeft geoordeeld dat de redelijke termijn wat betreft de periode van 25 oktober 2004 tot 12 mei 2006 in de rechterlijke fase niet is geschonden. Nu tegen de uitspraak van 24 maart 2009 geen hoger beroep is ingesteld, kan de genoemde termijn thans niet meer worden meegeteld en heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de termijn aanvangt met ingang van de dag waarop het beroepschrift tegen het besluit van 29 mei 2007 is ontvangen, zijnde 25 juni 2007.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van N. El Hana als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2011.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) N. El Hana.

KR