Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ7310

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-06-2011
Datum publicatie
08-06-2011
Zaaknummer
10-291 WAZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling WAZ-uitkering. Zorgvuldig onderzoek bezwaarverzekeringsarts. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag. Geen schending van de redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/291 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 21 december 2009, 07/928 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 1 juni 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft R.T. van Baarlen, werkzaam bij Fiscount Arbeid en Recht B.V. te Zwolle, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 april 2011. Namens appellant is Van Baarlen verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.G.M. Huijs.

II.OVERWEGINGEN

1.1. Voor een uitgebreide weergave van de relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de uitspraak van de rechtbank van 12 mei 2006, 04/1840, in het voorafgaande geding tussen partijen.

1.2. Ter uitvoering van de onder 1.1 genoemde uitspraak van de rechtbank heeft het Uwv bij besluit van 29 mei 2007 (hierna: bestreden besluit 1) het bezwaar van appellant tegen het besluit van 16 april 2004 tot weigering van een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) per 29 augustus 2002, onder verwijzing naar rapportages van de bezwaarverzekeringsarts J.W. Heijltjes van 13 februari 2007 en de bezwaararbeidsdeskundige F.C. Schrijer van 22 mei 2007, gegrond verklaard en hem met ingang van 29 augustus 2002 een WAZ-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.

1.3. Hangende het beroep tegen het bestreden besluit 1 heeft het Uwv dat besluit ingetrokken en bij besluit van 23 juli 2007 (hierna: bestreden besluit 2) het bezwaar van appellant tegen het besluit van 16 april 2004, onder verwijzing naar de rapportages van de bezwaarverzekeringsarts Heijltjes van 12 juli 2007 en de bezwaararbeidsdeskundige Schrijer van 20 juli 2007, gegrond verklaard en hem met ingang van 29 augustus 2002 een WAZ-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit 1 niet ontvankelijk verklaard. Het beroep tegen het bestreden besluit 2 is door de rechtbank ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het bestreden besluit 2 berust op een toereikende medische grondslag en dat de geduide functies als passend zijn aan te merken voor appellant. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv op grond van de berekening van het maatmanloon de mate van arbeidsongeschiktheid juist heeft vastgesteld. Tevens heeft de rechtbank bepaald dat het onderzoek wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over de door appellant gevraagde schadevergoeding in verband met de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn door de rechtbank, waarbij tevens de Staat (de minister van Veiligheid en Justitie) als partij in die procedure wordt aangemerkt.

3.1. In hoger beroep heeft appellant, onder verwijzing naar de gronden die hij reeds in bezwaar en beroep heeft aangevoerd, gesteld dat hij zich niet kan verenigen met de vastlegging van de medische beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 13 februari 2007 met name omdat, gelet op de toelichting bij aspect 4.23 (belasting van de duimgewrichten) verdergaande beperkingen hadden moeten worden opgenomen. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag stelt hij zich op het standpunt dat het maatmanloon op onjuiste wijze is berekend en dat drie van de vier geduide functies niet kunnen worden gebruikt om daarop de schatting te baseren, omdat de geschiktheid voor die functies onvoldoende is gemotiveerd. Met betrekking tot zijn verzoek om immateriële schadevergoeding stelt hij zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte de periode van 25 oktober 2004 tot 12 mei 2006 (de datum van de onder 1.1 genoemde uitspraak van de rechtbank) buiten beschouwing heeft gelaten.

3.2. Het Uwv heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat de bezwaarverzekeringsarts de FML van 13 februari 2007 heeft aangepast en daarbij de beperking bij het aspect 4.23 heeft toegelicht en dat de bezwaararbeidsdeskundige daarop in zijn rapportage van 22 mei 2007 uitgebreid is ingegaan. Met betrekking tot de berekening van het maatmaninkomen wordt eveneens verwezen naar de rapportages van de bezwaararbeidsdeskundige. Verzocht wordt om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad, oordelend over hetgeen appellant tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, overweegt het volgende.

4.1. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts op basis van dossierstudie, kennisneming van de overgelegde medische informatie van de behandelend sector en aanwezigheid bij de hoorzitting een zorgvuldig onderzoek heeft verricht en een inzichtelijke rapportage heeft uitgebracht. Daarin is geconcludeerd dat appellant op de datum in geding beperkingen heeft ten aanzien van het langdurig en krachtig gebruik van beide duimen en dat door de orthopeed lichte tot matige beperkingen zijn aangegeven voor tillen, duwen, trekken en dragen, waarbij piekbelasting van de duimen dient te worden voorkomen. Hiervan uitgaande heeft de bezwaarverzekeringsarts deze beperkingen opgenomen in de FML van 13 februari 2007. In zijn aanvullende rapportage van 12 juli 2007 bij het bestreden besluit 2 heeft hij een nadere toelichting op de beperkingen gegeven, waarbij is aangegeven dat appellant in staat mag worden geacht tot tillen en dragen binnen de normen van het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem. Indien er sprake is van een wijze van tillen en dragen waarbij specifieke eisen worden gesteld aan de duimgewrichten (zoals bij het zeer frequent moeten verplaatsen van kleinere voorwerpen met knijp- en grijpkracht) geldt dit als aandachtspunt onder 4.23.1 voor de arbeidsdeskundige. Voor het regelmatig moeten verplaatsen van zwaardere voorwerpen valt een krachtig gebruik van de beide duimen niet uit te sluiten en op dat punt is onder 4.16 van de FML dan ook een beperking opgenomen. Gelet op deze toelichting ziet de Raad geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de in de FML neergelegde beperkingen. Mitsdien is de Raad van oordeel dat het bestreden besluit 2 op een juiste medische grondslag berust.

4.2. Wat betreft de arbeidskundige grondslag is de Raad van oordeel dat de bezwaararbeidsdeskundige in zijn rapportage van 22 mei 2007 voldoende inzichtelijk en verifieerbaar heeft aangetoond dat de door hem geselecteerde functies artsenbezoeker,dierenartsenbezoeker (sbc-code 694020), arbeidsbemiddelaar, personeelsfunctionaris (sbc-code 763100) samensteller kunststof en rubberindustrie (sbc-code 271130) voor appellant, gelet op zijn medische beperkingen, geschikt zijn. Van de door appellant gestelde overschrijding van de belasting in deze functies is naar het oordeel van de Raad niet gebleken nu bij deze functies een normaalwaarde geldt en derhalve geen signaleringen voorkomen. In reactie op de door appellant in beroep aangevoerde arbeidskundige gronden heeft de bezwaararbeidsdeskundige in zijn rapportage van 17 oktober 2007 naar het oordeel van de Raad inzichtelijk gemotiveerd dat de geduide functies als passend kunnen worden beschouwd. Wat betreft de aangevoerde grond met betrekking tot de wijze van berekening van het maatmanloon volgt de Raad de toelichting van de bezwaararbeidsdeskundige in de rapportage van 20 juli 2007, waaruit blijkt dat de inkomsten van appellant zijn gecorrigeerd met de overhevelingstoeslag en dat de stakingswinst niet is opgenomen in de totale (netto)winst en daarom voor het bepalen van het maatmanloon buiten beschouwing dient te blijven. In zijn rapportage van 17 maart 2009 heeft de bezwaararbeidsdeskundige, gelet op hetgeen appellant heeft gesteld, uitgaande van de arbeid in het eigen bedrijf zoals die naar aard, omvang en belasting bestond op het moment vóór het intreden van de arbeidsongeschiktheid, nieuwe berekeningen gemaakt die niet leiden tot een indeling in een andere arbeidsongeschiktheidsklasse. Ook de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit 2 kan derhalve de toetsing van de Raad doorstaan.

4.3. Wat betreft de door appellant aangevoerde grond tegen het oordeel van de rechtbank met betrekking tot het vermoeden dat de redelijke termijn is overschreden, heeft de rechtbank naar het oordeel van de Raad terecht vastgesteld dat de rechtbank met haar uitspraak van 24 maart 2009, 08/148, reeds zonder voorbehoud heeft geoordeeld dat de redelijke termijn wat betreft de periode van 25 oktober 2004 tot 12 mei 2006 in de rechterlijke fase niet is geschonden. Nu tegen die uitspraak geen hoger beroep is ingesteld, kan die termijn thans niet meer worden meegeteld en heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de termijn aanvangt met ingang van de dag waarop het beroepschrift tegen het besluit van 29 mei 2007 is ontvangen, zijnde 25 juni 2007. De Raad volstaat verder met een verwijzing naar zijn uitspraak van heden in zaak 10/3921 in het geschil tussen appellant en de Staat der Nederlanden (minister van Veiligheid en Justitie) over de beoordeling van het verzoek om schadevergoeding.

4.4. Gelet op hetgeen onder 4.1 tot en met 4.3 is overwogen, komt de Raad dan ook tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van de proceskosten.

III.BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van N. El Hana als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2011.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) N. El Hana.

KR