Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ7299

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-06-2011
Datum publicatie
08-06-2011
Zaaknummer
10-4194 WAJONG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag uitkering ingevolge de Wajong. Er is geen sprake van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. Een nader gestelde diagnose die is gebaseerd op reeds eerder bekende medische onderzoeksgegevens, kan niet als een nieuw feit of veranderde omstandigheid te worden aangemerkt. (Zie ook LJN BB8684)

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 4:6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/4194 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 25 juni 2010, 09/2090 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 1 juni 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. K.G.J. Verbong, advocaat te Maastricht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 april 2011. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.Ph.M. Hogervorst. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.M.G. Huijs.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 23 oktober 2008 heeft het Uwv aan appellant, die is geboren [in] 1986, met ingang van 29 juli 2007 - dat is één jaar voor de datum van de aanvraag - een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) toegekend. Bij brief van 27 mei 2009 heeft appellant verzocht om toekenning van een Wajong-uitkering met ingang van zijn zeventiende verjaardag. Daarbij is aangevoerd dat appellant en zijn ouders niet in staat waren de uitkering eerder aan te vragen.

1.2. Bij besluit van 1 juli 2009 heeft het Uwv het verzoek afgewezen. Het tegen het besluit van 1 juli 2009 gemaakte bezwaar is bij besluit van 22 oktober 2009 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daaraan is ten grondslag gelegd dat geen sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 29, tweede lid, van de Wajong, omdat er niet zodanige belemmeringen of beperkingen waren dat geen eerdere aanvraag kon worden gedaan.

2. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven. Overwogen is ondermeer dat gezien de strekking van het besluit van 1 juli 2009 het Uwv gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid ingevolge artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en dat het Uwv bevoegd was het verzoek van appellant af te wijzen nu appellant aan het verzoek geen nieuwe feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6, eerste lid, van de Awb ten grondslag heeft gelegd.

3. Appellant heeft in hoger beroep het standpunt ingenomen dat sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden en voorts dat sprake is van een bijzonder geval op grond waarvan het Uwv gehouden was de uitkering toe te kennen met ingang van zijn 18e verjaardag. Het Uwv heeft zich op het standpunt gesteld dat terecht is geconcludeerd dat geen sprake is van een bijzonder geval.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. In hoger beroep is het geding beperkt tot de vraag of bij de aangevallen uitspraak terecht is bepaald dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven.

4.2. In artikel 4:6, eerste lid, van de Awb is bepaald dat, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Ingevolge het tweede lid kan het bestuursorgaan, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit.

4.3. Uit de rechtspraak van de Raad - waaronder de uitspraak van 5 november 2010, LJN BO3257 - volgt dat een bestuursorgaan in het algemeen bevoegd is een verzoek van een belanghebbende om van een eerder genomen besluit terug te komen inhoudelijk te behandelen en daarbij de oorspronkelijke beslissing in volle omvang te heroverwegen. Bewoording en strekking van artikel 4:6 van de Awb staan daaraan niet in de weg. Indien het bestuursorgaan met gebruikmaking van deze bevoegdheid de eerdere afwijzing handhaaft, kan dit echter niet de weg openen naar een toetsing als betrof het een oorspronkelijk besluit. Een dergelijke wijze van toetsen zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijk voorgeschreven termijn(en) voor het instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. De bestuursrechter dient dan ook het oorspronkelijke besluit tot uitgangspunt te nemen en zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien.

4.4. Niet in geschil is dat appellant tegen het besluit van 23 oktober 2008 geen rechtsmiddel heeft aangewend. De Raad is - evenals de rechtbank - van oordeel dat de brief van 27 mei 2009 van appellant dient te worden aangemerkt als een verzoek terug te komen van het besluit van 23 oktober 2008 voor zover daarbij is beslist over de ingangsdatum van de uitkering. Daaruit volgt dat de rechtbank terecht de vraag of het Uwv op grond van artikel 4:6 van de Awb bevoegd was dit verzoek af te wijzen tot uitgangspunt heeft genomen. Het betoog van appellant dat voorafgaand aan het bestreden besluit medisch onderzoek naar de beperkingen van appellant ten tijde van zijn zeventiende verjaardag had moeten plaatsvinden, is met de hiervoor bedoelde jurisprudentie niet verenigbaar.

4.5. Het besluit van 23 oktober 2008 is gebaseerd op rapporten van de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige. De verzekeringsarts is tot de conclusie gekomen dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag is gelegen voor de zeventiende verjaardag. De beperkte belastbaarheid komt voort uit ziekte of gebrek waarbij de beperkingen voortvloeien uit een handicap van de jeugd. De arbeidsdeskundige heeft de ingangsdatum vastgesteld op 29 juli 2007, één jaar voor de aanvraagdatum. Daarbij is overwogen dat het arbeidsverleden - gelet op de conflicten en het ontslag - niet als passend kan worden gezien. Van enige duurzaamheid of normaal functioneren lijkt geen sprake te zijn geweest. Appellant werkt veelal kortdurend in een veelvoud van verschillende baantjes.

4.6. Appellant heeft gesteld dat ten tijde van de aanvraag in juli 2008 en de toekenning van de uitkering in oktober 2008 de diagnose kernautisme nog niet was gesteld. Deze diagnose is pas in januari 2009 gesteld na uitgebreid onderzoek van de Riagg te Maastricht. Dit onderzoek vond plaats nadat de moeder van appellant was vermoord.

4.7. Ingevolge vaste rechtspraak van de Raad - bijvoorbeeld de uitspraak van 23 november 2007, LJN BB8684 - dient een nader gestelde diagnose die is gebaseerd op reeds eerder bekende medische onderzoeksgegevens, niet als een nieuw feit of veranderde omstandigheid te worden aangemerkt.

4.8. Naar het oordeel van de Raad is geen sprake van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Ten tijde van de zeventiende en achttiende verjaardag van appellant was onbetwist sprake van een beperkte belastbaarheid voortkomende uit ziekte of gebrek. Volgens de arbeidsdeskundige kan het arbeidsverleden niet als passend worden gezien. De Raad wijst erop dat de vader van appellant heeft beschreven dat appellant al van jongs af aan gedragsproblemen heeft gehad en onder meer in 1997 medisch onderzoek is verricht. Voorts is in de informatie van de Riagg aangegeven dat appellant reeds vanaf de vroege jeugd in onderzoek en behandeling is wegens gedragsproblematiek. Gelet daarop dient de in januari 2009 gestelde diagnose kernautisme niet als een nieuw feit of veranderde omstandigheid als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb te worden aangemerkt.

4.9. Uit hetgeen appellant overigens heeft aangevoerd is de Raad evenmin gebleken van gegevens die als een nieuw feit of veranderde omstandigheid moeten worden aangemerkt. De rechtbank heeft derhalve terecht geconcludeerd dat het Uwv bevoegd was het verzoek af te wijzen onder verwijzing naar het besluit van 23 oktober 2008. De Raad is van oordeel dat het Uwv in redelijkheid heeft kunnen weigeren om van dat besluit terug te komen. Gelet op het voorgaande komt de Raad niet toe aan beoordeling van het standpunt van appellant dat sprake is van een bijzonder geval.

5. De Raad concludeert dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van N.S.A. El Hana als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2011.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) N.S.A. El Hana.

IvR