Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ7235

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-06-2011
Datum publicatie
08-06-2011
Zaaknummer
09-990 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

IntrekkingWAO-uitkering. De Raad kan de conclusie van de rechtbank onderschrijven, dat de psychische situatie van appellante op de datum geding zodanig was dat zij in staat moet worden geacht om de haar in het kader van de WAO-beoordeling voorgehouden functies te verrichten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/990 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 22 december 2008, 08/296 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 1 juni 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. B. van Dijk, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 april 2011. Appellante en haar boven genoemde gemachtigde waren aanwezig. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. D.R. Abdoelhak.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellante heeft vanaf 19 juli 1999 tot 28 november 2005 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ontvangen in verband met klachten van psychische aard. Deze uitkering is met ingang van laatst genoemde datum ingetrokken omdat haar mate van arbeidsongeschiktheid werd gesteld op minder dan 15%; het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 21 februari 2006 ongegrond verklaard. Nadien ontving zij een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW). Per 1 januari 2007 heeft zij zich wederom met psychische klachten ziek gemeld en heeft zij een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) ontvangen. De verzekeringsarts A. Dijkhoff heeft blijkens haar rapport van 9 november 2007 vastgesteld dat de gezondheidssituatie van appellante in die mate verbeterd was dat zij in staat moet worden geacht minstens een van de haar in het kader van de WAO voorgehouden functies te kunnen uitoefenen. Bij besluit van 15 november 2007 is zij vervolgens per 12 november 2007 arbeidsgeschikt verklaard en is haar verdere uitkering krachtens de ZW ontzegd. Het namens haar tegen dit besluit gemaakte bezwaar is, na rapportage door de bezwaarverzekeringsarts A. van Bruggen, bij besluit van 20 mei 2008 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. Namens appellante is op 28 maart 2008 beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op het namens haar gemaakte bezwaar. Daarbij heeft zij tevens aangevoerd dat zij meer beperkt is dan door het Uwv is aangenomen.

3. De rechtbank heeft het beroep tegen het uitblijven van een beslissing op bezwaar niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het alsnog genomen bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen, dat niet gebleken is dat appellante nog enig belang heeft bij het beoordelen van het beroep tegen het niet tijdig beslissen nu het Uwv alsnog een inhoudelijk besluit heeft genomen. Het Uwv heeft volgens de rechtbank de juiste maatstaf aangehouden ten aanzien van de in aanmerking te nemen arbeid. Tevens acht de rechtbank voldoende reden aanwezig om de visie van de (bezwaar)verzekeringsarts met betrekking tot het kunnen verrichten van arbeid door appellante te onderschrijven.

4. Namens appellante is in hoger beroep herhaald dat haar gezondheidssituatie slechter is dan door het Uwv is aangenomen. Tevens acht zij het onbegrijpelijk dat zij eerst wel een ZW-uitkering heeft ontvangen en zij nadien arbeidsgeschikt wordt verklaard zonder dat er verandering in haar medische situatie is opgetreden.

5.1. De Raad oordeelt als volgt.

5.2. Appellante heeft tevens bezwaar gemaakt tegen het niet toekennen door de rechtbank van een vergoeding van proceskosten. Zulks is echter ingevolge artikel 8:75 van de Awb een bevoegdheid van de rechtbank, die daarbij mocht meewegen, gelijk de rechtbank kennelijk heeft gedaan, dat namens appellante twee maal, op 28 december 2007 en

7 januari 2008, om uitstel is verzocht en op 20 februari 2008 aan het Uwv is bericht dat geen nadere medische informatie zou volgen.

5.3. De Raad kan de conclusie van de rechtbank onderschrijven, dat de psychische situatie van appellante op de datum geding zodanig was dat zij in staat moet worden geacht om de haar in het kader van de WAO-beoordeling voorgehouden functies te verrichten. Bij de WAO-beoordeling is, evenals met betrekking tot de datum in geding, bij het vaststellen van haar belastbaarheid reeds met haar psychische klachten rekening gehouden. De in bezwaar overgelegde medische informatie van de huisarts, die slechts spreekt over het niet leggen van teveel psychische druk, en de hierna te noemen

GZ psycholoog doet daar niet aan af. Uit de informatie van A. Yilmaz, GZ psycholoog, van 26 februari 2007 blijkt dat het vooral ging om ondersteunende gesprekken en dat het contact in overleg met appellante medio 2006 is afgebroken. In beroep noch in hoger beroep zijn nieuwe medische gegevens in het geding gebracht.

5.4. Met betrekking tot het aanvankelijk ontvangen van ziekengeld merkt de Raad op, dat de verzekeringsarts Dijkhoff, die overigens in september 2007 al opmerkte dat van een actieve depressie geen sprake (meer) was, in zijn rapport van 9 november 2007 aangeeft dat het beter gaat met appellante en dat zij andere medicijnen gebruikt die beter helpen. Diens oordeel met betrekking tot de arbeidsgeschiktheid van appellante is door de bezwaarverzekeringsarts onderschreven. Ter zitting is er namens appellante nog op gewezen dat Dijkhoff in laatst vermeld rapport concludeert dat appellante geschikt is te achten per 12 november 2007 “ondanks toename in beperkingen ten opzichte van het oude niveau”. Deze opmerking ziet echter volgens de Raad op de situatie ten tijde van de WAO-beoordeling uit 2005. Daarbij verdient het aantekening dat het hier, anders dan bij de WAO, niet gaat om de geschiktheid voor alle aan de schatting van destijds ten grondslag gelegde functies, maar volgens vaste rechtspraak, om het kunnen verrichten van (tenminste) één daarvan. De arbeidsdeskundige S. Bos heeft overigens blijkens diens rapport van 18 oktober 2007 nog eens naar de belasting verbonden aan bedoelde functies gekeken en vastgesteld dat deze nog steeds binnen de mogelijkheden van appellante liggen.

5.5. Hetgeen onder 5.1 tot en met 5.4 is overwogen leidt tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

6. Voor een veroordeling van een der partijen in de proceskosten acht de Raad geen termen aanwezig.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Riphagen als voorzitter, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 juni 2011.

(get.) J. Riphagen.

(get.) T.J. van der Torn.

KR