Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ7165

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-06-2011
Datum publicatie
07-06-2011
Zaaknummer
10-4347 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/4347 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] wonende te [Appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 16 juni 2010, 09/4556(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 1 juni 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. K.M. van der Zouwen, advocaat te Oosterhout, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 april 2011. Namens appellant is mr. Van der Zouwen verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door V.A.R. Kali.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant ontving sedert 31 augustus 1987 in verband met rugklachten een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), sedert 1 juli 2000 berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

1.2. In 2008 heeft verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig heronderzoek plaatsgevonden. Op grond van de bevindingen van dat onderzoek heeft het Uwv geconcludeerd dat appellant met inachtneming van zijn medische beperkingen in staat moet worden geacht arbeid in voor hem geschikt geachte functies te verrichten. Bij besluit van 25 februari 2009 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellant met ingang van 26 april 2009 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35% (hierna: primair besluit 1). Bij besluit van eveneens 25 februari 2009 heeft het Uwv aan appellant de op 10 februari 2009 opgestelde re-integratievisie toegestuurd (hierna: primair besluit 2).

1.3. Bij besluit van 8 september 2009 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren van appellant tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard.

1.4. Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Ter zitting van de rechtbank heeft appellant het beroep voor zover dat ziet op primair besluit 2 ingetrokken.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak de medische en arbeidskundige grondslag van de schatting met ingang van 26 april 2009 onderschreven en het beroep van appellant ongegrond verklaard.

2.1. Met betrekking tot de medische grondslag van de schatting heeft de rechtbank als volgt overwogen, waarin voor eiser en verweerder moet worden gelezen: appellant en Uwv:

“Op grond van de beschikbare gegevens moet naar het oordeel van de rechtbank worden aangenomen dat de verzekeringsartsen bij eiser niet te geringe medische beperkingen hebben vastgesteld. Met name blijkt uit de rapportages van de verzekeringsartsen dat zij op de hoogte waren van de door eiser gestelde klachten, waaronder de rugklachten, spanningsklachten, visusklachten, darmklachten, en geheugenklachten. De bezwaarverzekeringsarts heeft de door eiser in bezwaar overgelegde medische informatie in zijn beoordeling meegenomen. De rechtbank constateert dat eiser geen medische informatie heeft overgelegd, waaruit blijkt dat hij op de datum in geding beperkt was door cognitieve stoornissen, darmklachten dan wel visusklachten. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser nog aangegeven dat eiser recent verwezen is naar een neuroloog. De rechtbank ziet hierin geen aanleiding om te twijfelen aan de vastgestelde belastbaarheid en overweegt daartoe het volgende. Eiser heeft ter zitting aangegeven dat zijn klachten steeds erger worden en dat hij de laatste vier maanden, zes keer is gevallen. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten om te veronderstellen dat de toename van klachten ook al op de datum in geding aanwezig waren. Verder acht de rechtbank het van belang dat zowel de primaire verzekeringsarts als de bezwaarverzekeringsarts omstreeks de datum in geding een eigen lichamelijk onderzoek en onderzoek van de psyche hebben gedaan en de onderzoeksbevindingen overeen kwamen met de overgelegde medische informatie. De rechtbank ziet in hetgeen eiser heeft aangevoerd geen aanleiding een deskundige te benoemen. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser nog aangevoerd dat een urenbeperking aan de orde is, zeker nu eiser slechts 20 uur in het restaurants werkzaam was. De rechtbank kan eiser in deze stelling niet volgen en sluit zich aan bij hetgeen de verzekeringsarts in zijn rapportage van 18 december 2008 daarover heeft opgemerkt. De rechtbank heeft geen zicht op de belasting in het werk bij het restaurant, zodat het enkele gegeven dat eiser daar slechts voor 20 uur per week werkzaam was, niet met zich brengt dat een urenbeperking gegeven moet worden. Ook anderszins ziet de rechtbank geen aanleiding aan te nemen dat eiser niet full-time zou kunnen werken. Voor de verdere beoordeling gaat de rechtbank uit van de medische beperkingen die zijn neergelegd in de FML van 18 december 2008.”

2.2. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag heeft de rechtbank overwogen voldoende overtuigd te zijn dat de medische beperkingen van appellant in de functies die aan de schatting ten grondslag zijn gelegd niet worden overschreden. De rechtbank is er verder voldoende van overtuigd dat appellant, met zijn opleiding bezien in combinatie met zijn werkervaring, voldoende bekwaamheden heeft voor de geduide functies. Niet is gebleken dat appellant de Nederlandse taal niet in die mate beheerst dat hij de geduide functies niet zou kunnen uitoefenen.

3. Appellant herhaalt in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak zijn gronden van bezwaar en beroep met name dat hij meer beperkt is dan door het Uwv is aangenomen.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. De Raad stelt vast dat in hoger beroep in essentie dezelfde gronden zijn aangevoerd als in beroep bij de rechtbank en dat appellant geen nieuwe medische informatie heeft overgelegd.

4.2. Ten aanzien van de medische beoordeling die aan de schatting ten grondslag ligt is de Raad van oordeel dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak de beroepsgronden afdoende heeft besproken en genoegzaam heeft gemotiveerd waarom deze niet slagen. De Raad onderschrijft de hiervoor geciteerde overwegingen. Appellante heeft ook in hoger beroep geen objectieve medische gegevens overgelegd die twijfel doen rijzen aan de juistheid van de door verzekeringsarts vastgestelde functionele mogelijkheden van appellant op de datum in geding. De Raad ziet dan ook geen aanleiding om tot een andersluidend oordeel dan dat van de rechtbank te komen. In het voorgaande ligt besloten dat de Raad geen aanleiding ziet voor het raadplegen van een deskundige, zoals namens appellant is verzocht.

4.3. Ook wat betreft de medische geschiktheid van de functies waarop de schatting is gebaseerd, ziet de Raad geen aanknopingspunten voor een ander oordeel dan het ook in dit opzicht uitvoerig gemotiveerd oordeel van de rechtbank.

4.4. Appellants in hoger beroep gehandhaafde stelling dat hij de Nederlandse taal onvoldoende beheerst om de voor hem geselecteerde functies te vervullen, onderschrijft de Raad evenmin. Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is de Raad gebleken dat appellant sedert de jaren zeventig in Nederland verblijft en dat hij vanaf november 1978 tot zijn uitval in 1986 werkzaam was als produktiemedewerker, van 1995 tot 1999 eigenaar was van een cafébedrijf en nadien enkele jaren werkzaamheden verrichtte als inkoper in een horecabedrijf, zodat er voor de Raad geen aanleiding bestaat om er aan te twijfelen dat appellant uit dien hoofde geacht moet worden te beschikken over de - bescheiden - vaardigheden die in de functies worden gevraagd inzake beheersing van de Nederlandse taal.

4.5. Uit hetgeen is overwogen in 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling van een der partijen in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door J. Riphagen als voorzitter, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2011.

(get.) J. Riphagen.

(get.) T.J. van der Torn.

NK