Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ7126

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-06-2011
Datum publicatie
07-06-2011
Zaaknummer
10-6778 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering. De Raad is evenals de rechtbank van oordeel dat een oorzakelijk verband tussen de eerdere arbeidsongeschiktheid en de hernia ontbreekt. Zorgvuldig onderzoek bezwaarverzekeringsarts.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/6778 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante] wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 3 november 2010, 09/1221 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 1 juni 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.P. Smit, advocaat te Almelo, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 april 2011. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Ruis.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is met ingang van 3 december 1990 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Met ingang van 10 juli 2007 is deze uitkering ingetrokken, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 15% is. Op 30 januari 2009 heeft appellante melding gemaakt toegenomen klachten. Bij besluit van 17 april 2009 heeft het Uwv de uitkering met ingang van vier weken na 4 september 2008 geweigerd.

1.2. Bij besluit van 2 oktober 2009 (bestreden besluit) is het bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit berust op de overweging dat de per 4 september 2008 toegenomen beperkingen voortvloeien uit een andere ziekteoorzaak dan die op grond waarvan eerder arbeidsongeschiktheid is aangenomen.

2. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat geen oorzakelijk verband aanwezig is tussen de tot 10 juli 2007 bestaande arbeidsongeschiktheid en de toegenomen arbeidsongeschiktheid.

3. In hoger beroep heeft appellante het standpunt ingenomen dat het Uwv niet buiten twijfel heeft gesteld dat de toegenomen beperkingen een andere ziekteoorzaak hebben dan die in verband waarmee zij tot 10 juli 2007 een uitkering ontving.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Ingevolge artikel 43a, eerste lid, aanhef en onder a, van de WAO, vindt toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering steeds plaats, zodra die arbeidsongeschiktheid onafgebroken vier weken heeft geduurd, indien de verzekerde wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering wegens afneming van arbeidsongeschiktheid op grond van artikel 43, eerste lid, van de WAO is ingetrokken, binnen vijf jaar na de datum van die intrekking arbeidsongeschikt wordt en deze arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak als die waaruit de arbeidsongeschiktheid voorkomt ter zake waarvan de ingetrokken uitkering werd genoten.

4.2. In de aangevallen uitspraak is het bestreden besluit ten onrechte getoetst aan artikel 39a, eerste lid van de WAO. Nu de eerdere uitkering van appellante wegens afneming van de mate van arbeidsongeschiktheid is ingetrokken en niet slechts is herzien (naar een lagere mate van arbeidsongeschiktheid), is niet dit artikellid, maar artikel 43a, eerste lid, van de WAO van toepassing.

4.3. Ter beoordeling staat of de per 4 september 2008 toegenomen arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak als die waaruit de arbeidsongeschiktheid voortkomt die bestond voorafgaande aan 10 juli 2007, de dag met ingang waarvan de uitkering is ingetrokken. Tussen partijen is niet in geschil dat de per 4 september 2008 toegenomen beperkingen voortvloeien uit een hernia.

4.4. In geschil is of de beperkingen op grond waarvan voor de intrekking van de uitkering per 10 juli 2007 arbeidsongeschiktheid is aangenomen (mede) voortkomen uit een hernia.

4.5. De (bezwaar)verzekeringsartsen hebben geconcludeerd dat de toegenomen beperkingen voortvloeien uit een andere ziekteoorzaak.

De verzekeringsarts heeft appellante onderzocht. Appellante heeft daarbij aangegeven dat zij op 4 september 2008 haar bed niet meer kon uitkomen vanwege nekklachten. De verzekeringsarts acht appellante beperkt ten aanzien van haar nek en rechterarm, rechterschouder en rechterhand. De betreffende klachten zijn nooit eerder gerapporteerd. De bezwaarverzekeringsarts heeft overwogen dat de nek- en rugklachten die appellante sinds de jaren negentig heeft door de huisarts en de neuroloog consequent zijn benoemd als voortkomend uit de spieren. Er is geen enkele relatie met de hernia. Ook uit de bevindingen van het medisch onderzoek voorafgaand aan de intrekking per

10 juli 2007 is niet gebleken van klachten die kunnen wijzen op een zenuwbeklemming in de nek. Pas in de tweede helft van 2008 gaven de specifieke nek- en armklachten aanleiding om een MRI van de nek te maken. De behandelend neuroloog heeft in december 2008 een "forse" nekhernia geconstateerd. In juli 2009 heeft de neuroloog bij appellante een "kleine" hernia aan de rug geconstateerd. De bezwaarverzekeringsarts acht niet aannemelijk dat aan de rugklachten al jaren een hernia ten grondslag ligt, mede omdat de huisarts na onderzoek in december 2006 heeft aangegeven dat er geen aanwijzingen zijn voor een hernia.

4.6. In de aangevallen uitspraak is geoordeeld dat de (bezwaar) verzekeringsarts afdoende heeft gemotiveerd dat de huidige klachten en de cervicale hernia niet in oorzakelijk verband staan met de eerdere klachten. Uit de medische onderzoeksverslagen is niet gebleken dat de in 2008 geconstateerde hernia reeds lange tijd aanwezig is geweest.

4.7. Appellante heeft betoogd dat de vóór 10 juli 2007 al bestaande nekklachten zijn uitgemond in een cervicale hernia. Hernia is volgens haar het eindstadium van een slijtageproces.

4.8. De Raad is evenals de rechtbank van oordeel dat een oorzakelijk verband tussen de eerdere arbeidsongeschiktheid en de hernia ontbreekt. De bezwaarverzekeringsarts heeft onderzoek gedaan naar het mogelijke verband van die klachten aan de hand van alle aanwezige medische informatie en nader bij de neuroloog ingewonnen informatie. Naar het oordeel van de Raad is sprake van zorgvuldig onderzoek. In de betreffende medische informatie ziet de Raad geen aanleiding te twijfelen aan de conclusies van de (bezwaar)verzekeringsarts.

4.9. Anders dan appellante stelt heeft de rechtbank een juiste uitleg gegeven aan het begrip "voortkomend uit dezelfde ziekteoorzaak" van artikel 43a, eerste lid, van de WAO. Het eerste lid van artikel 43a van de WAO komt in zoverre overeen met artikel 39a, eerste lid, van de WAO.

4.10. Appellante heeft gesteld dat het onderzoek van de huisarts in december 2006 naar de nekhernia mogelijk niet voldeed aan de stand van de wetenschap op dat moment en de hernia mogelijk eerder zou zijn vastgesteld als van de nieuwste methodes zou zijn uitgegaan. De bezwaarverzekeringsarts heeft aangegeven dat de MRI geen nieuw instrument is maar al in de jaren tachtig is geïntroduceerd. Gelet daarop verwerpt de Raad de stelling van appellante.

4.11. In de door appellante overgelegde verklaring van de huisarts van 14 maart 2011 ziet de Raad evenmin reden om aan te nemen dat het ontbreken van het vereiste oorzakelijk verband niet buiten twijfel is. Immers blijkens deze verklaring acht de huisarts het niet uitgesloten dat de klachten in 2007 voortkomen uit (beginnende) hernia’s, maar een oorzakelijk verband kan zij ook niet leggen.

5. De Raad concludeert dat de aangevallen uitspraak, met verbetering van de gronden, moet worden bevestigd.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en

C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van N.S.A. El Hana als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2011.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) N.S.A. El Hana.

IvR