Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ6900

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-05-2011
Datum publicatie
06-06-2011
Zaaknummer
10-1131 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing herziening grondslag. De Raad is van oordeel dat de grondslag van de periodieke uitkering door verweerder juist is vastgesteld. Bij de toepassing van artikel 8, tweede lid, van de Wuv is de feitelijke situatie bepalend. In dit geval geldt dus als uitgangspunt de laatste baan als verpleegkundige gedurende 22,54 uur per week. Er zijn geen objectieve medische gegevens die erop wijzen dat appellante al vóór haar uitval, als gevolg van causale factoren, buiten staat was om volle weken te werken. Evenmin kan rekening worden gehouden met factoren zoals de te verwachten loopbaanontwikkeling. Hieraan staat artikel 8, vierde lid, van de Wuv uitdrukkelijk in de weg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/1131 WUV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[Appellante], wonende te [woonplaats], Israël, (hierna: appellante),

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad,

thans: de Raad van Bestuur van de Sociale verzekeringsbank, (hierna: verweerder)

Datum uitspraak: 26 mei 2011

I. PROCESVERLOOP

Dit geding, dat aanvankelijk is gevoerd door de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR), is in verband met een wijziging van taken, zoals neergelegd in de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen (Wet van 15 april 2010, Stb. 2010, 182), voortgezet door de Raad van Bestuur van de Sociale verzekeringsbank. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van verweerder wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de - voormalige - Raadskamer WUV van de PUR.

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 18 november 2009, kenmerk BZ 48659, JZ/R60/2009 (hierna: bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940 1945 (Wuv).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 april 2011. Appellante is niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante, geboren in 1950, is in 1990 gelijkgesteld met de vervolgde in de zin van de Wuv. Daarbij is vastgesteld dat sprake is van ziekten of gebreken die in overwegende mate in verband met de vervolgingomstandigheden van haar ouders zijn ontstaan of verergerd.

1.2. Bij besluit van uiteindelijk 31 januari 1994 is aan appellante met ingang van 1 december 1990 een periodieke uitkering toegekend naar de in de Wuv genoemde minimumgrondslag van (destijds) f 2.767, . Tegen dit besluit heeft zij geen rechtsmiddel ingesteld.

1.3. In april 2009 heeft appellante verweerder verzocht de vastgestelde grondslag te herzien. Bij besluit van 24 juni 2009, na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerder dit verzoek afgewezen.

2. Naar aanleiding van hetgeen in beroep is aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

2.1. In artikel 8 van de Wuv is aangegeven hoe de grondslag van de periodieke uitkering wordt bepaald. Ingevolge het tweede lid - voor zover hier van belang - wordt de grondslag vastgesteld naar het inkomen uit arbeid in beroep of bedrijf dat de vervolgde, al naar voor hem het gunstigst is, ten tijde van de aanvraag in Nederland zou hebben genoten (a) uit het laatstelijk door hem uitgeoefende beroep of bedrijf, dan wel (b) uit het laatstelijk voor het tot uiting komen van de ziekten of gebreken, of de verergering daarvan door hem uitgeoefende beroep of bedrijf.

2.2. Bij het besluit van 31 januari 1994, waarvan appellante herziening heeft gevraagd, is de grondslag van haar periodieke uitkering vastgesteld naar het inkomen dat zij sinds 1 september 1990 genoot als verpleegkundige gedurende gemiddeld 22,54 uur per week. Omdat dit minder was dan de wettelijke minimumgrondslag, heeft verweerder de grondslag voor appellante op dit wettelijk minimum bepaald.

2.3. Appellante is van mening dat zij aanspraak heeft op de grondslag van een fulltime werkzame verpleegkundige. Zij heeft erop gewezen dat het aan haar causale psychische klachten is te wijten dat zij als verpleegkundige geen volle werkweken van 40 uur heeft kunnen maken. Met een fulltime inkomen zou de minimumgrondslag ruimschoots zijn overschreden, zeker indien rekening wordt gehouden met de te verwachten loopbaan-ontwikkeling, aldus appellante.

2.4. De gedingstukken laten zien dat appellante in 1985 vanuit Engeland naar Nederland is teruggekeerd en hier werkzaamheden is gaan verrichten voor uitzendbureaus. In 1987 is zij gaan werken als verpleegkundige. In december 1990 is zij wegens haar causale psychische klachten voor dit werk uitgevallen. Sindsdien heeft zij niet meer gewerkt. Uit het wijzigingsblad van 19 september 1990, behorende bij haar laatste arbeidsovereen-komst, komt naar voren dat appellante ten tijde van haar uitval gemiddeld 22,54 per week werkte, tegen een salaris van f 1.652,18 bruto per maand.

2.5. Gelet op deze gegevens is de Raad van oordeel dat de grondslag van de periodieke uitkering door verweerder juist is vastgesteld. Bij de toepassing van artikel 8, tweede lid, van de Wuv is de feitelijke situatie bepalend. In dit geval geldt dus als uitgangspunt de laatste baan als verpleegkundige gedurende 22,54 uur per week. Er zijn geen objectieve medische gegevens die erop wijzen dat appellante al vóór haar uitval, als gevolg van causale factoren, buiten staat was om volle weken te werken. Evenmin kan rekening worden gehouden met factoren zoals de te verwachten loopbaanontwikkeling. Hieraan staat artikel 8, vierde lid, van de Wuv uitdrukkelijk in de weg.

2.6. Gelet op het vorenstaande, plaatst hetgeen door appellante is aangevoerd het besluit van 31 januari 1994 niet in een zodanig ander licht dat verweerder aanleiding had moeten vinden dit besluit te herzien. Het beroep van appellante moet ongegrond worden verklaard.

3. Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en H.C.P. Venema en R. Kooper als leden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2011.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) T.J. van der Torn.

HD