Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ6533

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-05-2011
Datum publicatie
31-05-2011
Zaaknummer
08/6059 WWB + 11/2477 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Na tussenuitspraak is het terugvorderingsbedrag verlaagd. Kosten in bezwaarfase. Bij een inhoudelijk onjuist primair besluit is de verwijtbaarheid van het bestuursorgaan een gegeven, tenzij het aan betrokkene is te wijten dat het onrechtmatige primaire besluit is genomen. Van dit laatste is geen sprake. Vernietiging bestreden besluit. Vergoeding van de wettelijke rente over te veel afgeloste bedragen. Geen sprake van overschrijding redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/6059 WWB

11/2477 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 5 september 2008, 08/277 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 24 mei 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. E. van den Bogaard, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 december 2010. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Van den Bogaard. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.M. Tjen A Kwoei, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

Na een tussenuitspraak van de Raad van 18 januari 2011, LJN BP1798, heeft het College op 11 maart 2011 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen.

Bij brief van 22 maart 2011 heeft appellante haar zienswijze over dat besluit naar voren gebracht.

Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), gelezen in verbinding met artikel 21, eerste en zesde lid, van de Beroepswet, is afgezien van een nader onderzoek ter zitting.

Vervolgens heeft de Raad het onderzoek gesloten.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad verwijst naar zijn tussenuitspraak van 18 januari 2011 voor een uiteenzetting van de feiten waarvan hij uitgaat bij zijn oordeelsvorming. Hieraan voegt de Raad het volgende toe.

2.1. De Raad stelt vast dat het College bij zijn besluit van 11 maart 2011 het door de Raad geconstateerde gebrek dat aan het besluit van 8 januari 2008 kleefde, heeft hersteld door het terugvorderingsbedrag thans vast te stellen op € 2.244,21, in plaats van op het oorspronkelijke bedrag van € 20.416,03. Volgens de zienswijze van appellante kan zij zich hiermee verenigen.

2.2. Voorts stelt de Raad vast dat het College bij zijn besluit van 11 maart 2001 het verzoek om vergoeding van de kosten in de bezwaarfase heeft afgewezen. Met dit standpunt kan appellante zich, volgens haar zienswijze, niet verenigen.

3. Nu door de afwijzing van de kosten in de bezwaarfase met het besluit van 11 maart 2011 niet geheel aan het beroep is tegemoetgekomen, wordt het beroep ingevolge artikel 6:19, eerste lid, en artikel 6:24 van de Awb geacht mede gericht te zijn tegen dit besluit.

4.1. Het College heeft aan de afwijzing van de kosten in de bezwaarfase ten grondslag gelegd dat het besluit van 8 januari 2008 niet onrechtmatig is, omdat gehandeld is overeenkomstig het toen geldende beleid en dit beleid pas is gewijzigd na de uitspraak van de Raad van 21 april 2009, LJN BH9423.

4.2. Ingevolge artikel 7:15, tweede lid, eerste volzin van de Awb worden de kosten die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

4.3. De Raad stelt vast dat het primaire besluit van 10 oktober 2007 door het College bij het besluit van 11 maart 2011 deels is herroepen aangezien het terugvorderingsbedrag is beperkt tot € 2.244,21. Zoals de Raad eerder heeft overwogen, zie de uitspraak van 22 februari 2011, LJN BP5571, dient een primair besluit dat wordt herroepen als onrechtmatig te worden aangemerkt. Bij een inhoudelijk onjuist primair besluit is de verwijtbaarheid van het bestuursorgaan een gegeven, tenzij het aan betrokkene is te wijten dat het onrechtmatige primaire besluit is genomen. Van dit laatste is geen sprake. Dat het College voor situaties als hier aan de orde zijn beleid pas na 21 april 2009 heeft gewijzigd, doet niet af aan de onrechtmatigheid van het primaire besluit.

4.4. Nu ook aan de overige voorwaarden van artikel 7:15, tweede lid, eerste volzin, van de Awb wordt voldaan, zal de Raad het College veroordelen in de kosten van appellante in bezwaar. Deze kosten worden begroot op € 322,-- voor verleende rechtsbijstand.

4.5. De Raad komt op grond van hetgeen in de tussenuitspraak en in deze uitspraak is overwogen, tot het oordeel dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het besluit van 8 januari 2008 gegrond verklaren en dat besluit vernietigen wegens strijd met artikel 3:4, tweede lid, van de Awb voor zover dit betrekking heeft op de hoogte van het terugvorderingsbedrag. Voorts zal de Raad het beroep tegen het besluit van 11 maart 2011 gegrond verklaren en dat besluit vernietigen wegens strijd met artikel 7:15, tweede lid, van de Awb voor zover daarbij het verzoek om vergoeding van de kosten in de bezwaarfase is afgewezen.

5.1. De Raad begrijpt het verzoek van appellante om vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente wegens vertraging in na te betalen uitkeringsbedragen aldus dat appellante verzoekt om vergoeding van de wettelijke rente over te veel afgeloste bedragen. Dit verzoek komt voor toewijzing in aanmerking. Op het College rust de verplichting deze schade te vergoeden op de voet van de artikelen 6:119 en 6:120 van het Burgerlijk Wetboek.

5.2. Met betrekking tot het verzoek van appellante om vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, overweegt de Raad, onder verwijzing naar zijn uitspraak van 26 januari 2009, LJN BH1009, dat, uitgaande van de ontvangst van het bezwaarschrift van appellante op 25 oktober 2007, de redelijke termijn voor deze procedure in drie instanties - welke termijn in beginsel vier jaar bedraagt voor de procedure in haar geheel - niet is overschreden. Voor het hanteren van een kortere termijn ziet de Raad in dit geval geen aanleiding. De Raad zal dit verzoek dan ook afwijzen.

6. De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 1.127,-- voor verleende rechtsbijstand (3 punten voor het beroepschrift, hoger beroepschrift en bijwonen van de zitting in hoger beroep, en een half punt voor het indienen van de zienswijze, bij een zaak van gemiddeld gewicht).

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 8 januari 2008 gegrond;

Vernietigt het besluit van 8 januari 2008 voor zover dit betrekking heeft op de hoogte van het terugvorderingsbedrag;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 11 maart 2011 gegrond;

Vernietigt het besluit van 11 maart 2011 voor zover daarbij het verzoek om vergoeding van de kosten in de bezwaarfase is afgewezen;

Veroordeelt het College tot vergoeding van schade zoals onder 5.1 van deze uitspraak is aangegeven;

Wijst het verzoek om vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn af:

Veroordeelt het College in de kosten van appellante tot een bedrag van € 1.449,--;

Bepaalt dat het College aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 146,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en J.F. Bandringa en E.J.M. Heijs als leden, in tegenwoordigheid van R.B.E. van Nimwegen als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 mei 2011.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) R.B.E. van Nimwegen.

RB