Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ6468

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-05-2011
Datum publicatie
31-05-2011
Zaaknummer
10-3352 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WGA-uitkering, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is bepaald op 78,57%. Anders dan de rechtbank leest de Raad in het rapport van Sanders dat het voor appellant niet mogelijk is om vier uur achtereen zonder extra rustmomenten te werken. Vernietiging bestreden besluit wegens ontoereikende medische grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/3352 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 26 april 2010, 08/4254 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 27 mei 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.W.G.J. de Haas, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand in ’s-Hertogenbosch, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 januari 2011. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.E.J.P.M. Rutten.

Ter zitting is het onderzoek geschorst teneinde het Uwv in de gelegenheid te stellen zijn standpunt met betrekking tot de rustmomenten nader te onderbouwen.

Het Uwv heeft op 25 februari 2011 rapporten van de bezwaarverzekeringsarts van 3 februari 2011 en van de bezwaararbeidsdeskundige van 16 februari 2011 ingezonden. Voorts zijn op 3 maart 2011 rapporten van de bezwaarverzekeringsarts van 1 maart 2011 en van de bezwaararbeidsdeskundige van 3 maart 2011 opgestuurd.

Beide partijen hebben toestemming gegeven om de zaak zonder nadere behandeling ter zitting af te doen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant ontving een loongerelateerde WGA-uitkering omdat hij 100% arbeidsongeschikt was. Bij besluit van

7 maart 2008 is de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 8 mei 2008 vastgesteld op 77%.

1.2. Het bezwaar van appellant hiertegen is bij besluit van 4 augustus 2008 (bestreden besluit) gegrond verklaard en de mate van arbeidsongeschiktheid is bepaald op 78,57%.

2. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep van appellant ongegrond verklaard en zijn verzoek om schadevergoeding afgewezen. De rechtbank heeft overwogen dat de medische grondslag van het bestreden besluit toereikend is en daarbij doorslaggevende betekenis toegekend aan het rapport van de door haar ingeschakelde deskundige neuroloog

E.A.C.M. Sanders. De functies bode/bezorger (SBC-code 315140), assistent consultatiebureau (372091) en gezinshulp, bejaardenverzorger (372080) zijn naar het oordeel van de rechtbank terecht aan de schatting ten grondslag gelegd.

3.1. Appellant heeft het standpunt ingenomen dat hij met zijn klachten niet in staat is om normaal arbeid te verrichten gedurende vier uur per dag. De geduide functies zijn voor hem niet geschikt.

3.2. Het Uwv heeft zijn standpunt gehandhaafd dat appellant zonder extra rustmomenten zo’n vier uur aaneen kan werken.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. In vaste rechtspraak van de Raad ligt besloten dat de Raad het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel pleegt te volgen. Neuroloog Sanders heeft onderzoek verricht en kennis genomen van de (medische) gedingstukken. De Raad ziet niet in dat de deskundige op basis hiervan niet tot een afgewogen beoordeling omtrent de beperkingen per 8 mei 2008 heeft kunnen komen. Anders dan de rechtbank leest de Raad in het rapport van Sanders evenwel dat het voor appellant niet mogelijk is om vier uur achtereen zonder extra rustmomenten te werken. De Raad wijst op de volgende passages uit het rapport:

“1a. Welke beperkingen had betrokkene op 08-05-2008?

- Afgaande op de anamnese van betrokkene en de bevindingen, die geconstateerd zijn bij Dr. Van Erp, neuroloog in Kempenhaeghe te Heeze in 2007 is er sprake van verhoogde slaapbehoefte overdag. Deze slaapbehoefte komt 3 tot 4 maal per dag voor. Hij moet dan een kwartier achter elkaar slapen.

Dit beperkt hem in het achter elkaar verrichten van werkzaamheden.”

2a. Kunt u instemmen met de vaststelling van de belastbaarheid die betrekking heeft op 08-05-2008, zoals die blijkt uit gedingstuk B37 (functionele mogelijkhedenlijst d.d. 30-11-2007)?

- Er is accordering van de functionele mogelijkhedenlijst van 30-11-2007.

2b. Zo neen: op welke onderdelen niet, waarom niet en wat is naar uw mening de belastbaarheid op die onderdelen?

- Naar mening van ondergetekende worden de onderdelen bij de functionele mogelijkhedenlijst voldoende ingeschat. Alleen bij de berekening van de restverdiencapaciteit komt door gebruik te maken van de formule naar voren dat betrokkene voor 78,45% arbeidsongeschikt is. Wellicht had deze berekening niet gemaakt hoeven te worden, omdat betrokkene naar mening van ondergetekende en naar mening van de neuroloog Van Erp eigenlijk feitelijk geen reële arbeidsmogelijkheden heeft.

2c. Kunt u instemmen met verweerders standpunt dat er met een urenbeperking van 4 uur per dag voldoende rekening worden gehouden met mogelijk optredende slaapaanvallen? Zo neen, waarom niet?

-Er is accordering van de urenbeperking van 4 uur per dag. Er is echter weinig mogelijkheid om rekening te houden met optredende slaapaanvallen. Deze kunnen op onwillekeurige tijden optreden waardoor een aantal werkzaamheden voor betrokkene niet in aanmerking komen. Bijvoorbeeld als hij in slaap valt tijdens zijn werkzaamheden als telefonist, is hij op dat moment ongeveer 15 minuten niet bereikbaar, dit kan ondanks het feit dat het werk als telefonist goed uitvoerbaar is voor betrokkene, niet de bedoeling zijn.

3a. Was betrokkene naar u mening op 08-05-2008 met de door u vastgestelde beperkingen in staat de functies te verrichten die zijn genoemd en omschreven in de gedingstukken B62 (arbeidsmogelijkhedenlijst) en B61 (resultaat functiebeoordeling)?

- Betrokkene is, in principe, in staat tot het uitoefenen van het beroep als facilitair medewerker services in een bankbedrijf, consultatiebureau-assistent, woon- en zorgservice, thuishulp,, facilitair medewerker, bodebezorger kantoor etc. Betrokkene is in staat om alle genoemde functie uit te oefenen. Wat echter niet omschreven staat in de functiebeschrijving, is dat hij op onwillekeurige momenten van de dag uit zal vallen en daardoor geen functie kan uitoefenen. Dit maakt hem daardoor feitelijk ongeschikt voor alle functies waar de hele dag aandacht en concentratie voor nodig zijn.

3b. Zo neen, welke functies niet en waarom niet?

- Mede gezien het feit dat betrokkene op onwillekeurige momenten slaapbehoefte heeft, die hij niet kan onderdrukken (dit is immers het klinisch pathologisch mechanisme bij narcolepsie), is hij ongeschikt voor iedere vorm van functie waarbij aandacht en concentratie nodig is. Dat hij nu kan werken als postbezorger is alleen maar mogelijk, als hij langer dan de door TNT vastgestelde uren over zijn bezorgen van de post in de betreffende wijk kan doen. Over de wijk van 1 uur 40 minuten doet hij ongeveer 2½ uur en over de wijk van 2 uur en 25 minuten doet hij ongeveer 4 uur. Dit heeft te maken met het feit dat hij tussendoor dusdanige slaapbehoefte krijgt, dat hij even moet rusten of zitten.”

In reactie op het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 3 juli 2009 heeft Sanders voorts het volgende opgemerkt:

“Gaarne wil ondergetekende benadrukken dat de diagnose bij betrokkene vaststaat ook met HLA-typering. Dat hij een onbedwingbare slaapbehoefte heeft, staat eveneens vast.”

“Gaarne zou ik er toch blijvend voor willen pleiten dat betrokkene maximaal 4 uur per dag achter elkaar zou kunnen werken, waarbij hij post rondbrengt en op moment dat hij voelt dat hij slaperig wordt, hij even kan pauzeren door op een bank te gaan rusten. Als hij op dagen 6 uur per dag post moet rondbrengen, dat zijn mogelijkheden van een tweede wijk om de twee weken, dan doet hij daar meer dan 6 uur over vanwege het feit dat hij af en toe moet gaan rusten. Dat betrokkene de slaap probeert te controleren door af en toe te gaan zitten en rusten, heeft waarschijnlijk voorkomen dat hij telkenmale per ambulance op de eerste hulp terecht zou komen.”

4.2. De reacties van de bezwaarverzekeringsarts van 3 juli 2009, 25 november 2009 en 3 februari 2011 hebben de Raad er niet van kunnen overtuigen dat de extra rustmomenten niet nodig zijn. Dat Sanders aangeeft dat hij kan instemmen met de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) is slechts een deel van zijn conclusie. Hij geeft immers ook aan dat appellant feitelijk geen reële arbeidsmogelijkheden heeft en dat er weinig mogelijkheid is om rekening te houden met optredende slaapaanvallen. Voorts geeft hij aan dat het werk als postbezorger alleen maar mogelijk is als hij langer dan de door TNT vastgestelde uren over het post bezorgen kan doen, hetgeen te maken heeft met het feit dat hij tussendoor dusdanige slaapbehoefte krijgt dat hij even moet rusten of zitten.

De Raad kan de bezwaarverzekeringsarts niet volgen in zijn stelling dat Sanders zichzelf tegenspreekt. Sanders heeft in reactie op deze stelling aangegeven dat appellant door even te rusten zijn slaapbehoefte niet onderdrukt maar dat appellant op deze wijze in staat is met de onbedwingbare rustbehoefte om te gaan. De Raad is niet gebleken dat deze toelichting voor onjuist moet worden gehouden.

4.3. De Raad wijst er voorts op dat de behandelend neuroloog M.G. van Erp aangeeft dat verbetering kan worden verwacht van één of twee korte dutjes tussendoor in de werksituatie. De bedrijfsarts H.G. Schoonhoff geeft eveneens aan dat appellant wel in staat moet worden geacht tot het verrichten van vier uur arbeid per werkdag, mits het werk toestaat dat appellant, op de momenten dat de slaapaanval zich aandient, ook daadwerkelijk toe kan geven aan zijn slaap. De verzekeringsarts H. Emens concludeert ook dat er vier uur per dag gewerkt kan worden, maar niet volledig aaneengesloten. Appellant moet de gelegenheid hebben tussendoor een dutje te kunnen doen. Ten slotte is ook neuroloog H.L. Hamburger van mening dat de arbeidstijd van appellant sterk bekort is. Als appellant de gelegenheid krijgt om overdag enkele malen een half uur te doezelen of slapen kan hij wat meer uren functioneren.

4.4. Uit het vorenstaande volgt dat de medische grondslag van het bestreden besluit ontoereikend is. De rechtbank heeft dit besluit dan ook ten onrechte in stand gelaten. Zowel de aangevallen uitspraak als het bestreden besluit zullen worden vernietigd.

5.1. De Raad ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien en het primaire besluit van 7 maart 2008 te herroepen. Daartoe is het volgende redengevend.

5.2. Aan appellant is per einde wachttijd, 5 juli 2007, een uitkering toegekend, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 100%. In de FML van 3 mei 2007 is een beperking opgenomen in verband met de extra rustmomenten (“moet de mogelijkheid hebben van een enkele keer een dutje tussendoor bij het verrichten van werk”). Die rustmomenten maakten appellant toen ongeschikt voor reguliere arbeid.

5.3. Tijdens de onderhavige procedure is het Uwv in de gelegenheid gesteld zijn standpunt met betrekking tot het niet langer meenemen van de extra rustmomenten nader te onderbouwen. Het Uwv is daar, zoals onder 4.2 tot en met 4.4 is overwogen, niet in geslaagd. Met betrekking tot de geschiktheid van de geduide functies heeft de bezwaararbeidsdeskundige in zijn rapport van 3 maart 2011 aangegeven dat hij dit niet kan beoordelen. Aldus is niet komen vast te staan dat de geduide functies passend zijn. Voor deze conclusie is te meer reden omdat vanwege de extra rustmomenten ook in 2007 geen geschikte functies voor appellant zijn gevonden. De Raad ziet niet in dat een eventuele verdere onderbouwing van het bestreden besluit nog tot een andere conclusie zal leiden.

6.1. De Raad acht termen aanwezig om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,= voor verleende rechtsbijstand in beroep en € 437,= voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 759,=.

6.2. Gelet op het vorenstaande bestaat er voorts aanleiding het verzoek om schadevergoeding toe te wijzen. Wat betreft de wijze waarop het Uwv de aan appellant toekomende vergoeding, bestaande uit de wettelijke rente over de na te betalen uitkering dient te berekenen, verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 1 november 1995, LJN: ZB1495.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

Herroept het besluit van 7 maart 2008;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot € 759,=;

Veroordeelt het Uwv tot vergoeding van schade als hiervoor onder 6.2 is aangegeven;

Bepaalt dat het Uwv aan appellant het betaalde griffierecht van € 150,= vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen in tegenwoordigheid van N.S.A. El Hana als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2011.

(get.) I.M.J. Hilhorst-Hagen.

(get.) N.S.A. El Hana.

IvR