Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ6322

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-05-2011
Datum publicatie
30-05-2011
Zaaknummer
09/2530 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het kan appellante niet worden verweten dat zij het verzochte stuk niet tijdig heeft overgelegd. Het College was derhalve niet bevoegd om het recht op bijstand van appellante met toepassing van artikel 54, eerste lid, van de WWB op te schorten. Vernietiging uitspraak. Vernietigt het besluit van 28 mei 2008. Herroept het besluit van 15 april 2008.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:69
Algemene wet bestuursrecht 7:15
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/2530 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 23 maart 2009, 08/2759 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 17 mei 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. drs. M.J.G. Schroeder, jurist te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 5 april 2011. Partijen zijn niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Bij brief van 27 maart 2008 heeft het College haar verzocht om voor 4 april 2008 de beschikking voorlopige teruggaaf 2008 in te leveren. Omdat appellante geen gevolg gaf aan dit verzoek heeft het College bij besluit van 15 april 2008 het recht op bijstand met ingang van 5 april 2008 opgeschort en haar in de gelegenheid gesteld om de gevraagde beschikking alsnog binnen drie weken in te leveren. Binnen deze hersteltermijn heeft appellante de beschikking alsnog overgelegd. Daarnaast heeft zij op 6 mei 2008 pro forma bezwaar gemaakt tegen het besluit van 15 april 2008. Bij brief van 14 mei 2008 heeft het College appellante, met excuses dat dit niet eerder was gebeurd, ervan in kennis gesteld dat de opschorting weer ongedaan is gemaakt.

1.2. Bij besluit van 28 mei 2008 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 15 april 2008 kennelijk niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat het belang aan het bezwaar is komen te ontvallen, nu de bijstand met ingang van de opschortingsdatum is hersteld. Het verzoek om vergoeding van de kosten van bezwaar is afgewezen omdat geen sprake is van een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid van het besluit van 15 april 2008.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het op de afwijzing van het verzoek om een bezwaarkostenvergoeding toegespitste beroep tegen het besluit van 28 mei 2008 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat het ingediende pro forma bezwaarschrift niet kan worden gezien als een bezwaarschrift als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht bezien in samenhang met onderdeel A4, onder 1, van de bijlage, nu het niet de gronden van het bezwaar bevatte, zodat geen sprake is van kosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1. De Raad stelt - ambtshalve - vast dat de rechtbank haar oordeel heeft gebaseerd op een (weigerings)grond die het College niet aan het besluit van 28 mei 2008 ten grondslag heeft gelegd. Daarmee heeft de rechtbank gehandeld in strijd met artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Op grond van deze bepaling dient de bestuursrechter immers, behoudens de - in dit geval niet aan de orde zijnde - verplichte ambtshalve toetsing van het in beroep bestreden besluit aan die geschreven en ongeschreven rechtsregels en algemene rechtsbeginselen die geacht moeten worden van openbare orde te zijn, de door de indiener van het beroepschrift aangevoerde beroepsgronden tot uitgangspunt te nemen. Daarbij is de bestuursrechter gehouden de aangevoerde beroepsgronden voldoende ruim naar hun strekking op te vatten en is hij voorts, ingevolge artikel 8:69, tweede lid, van de Awb, verplicht ambtshalve de rechtsgronden aan te vullen. Met deze door de wetgever gewilde afbakening van de omvang van het geding verdraagt zich niet dat de bestuursrechter, in het kader van de toetsing van het in beroep bestreden besluit, de grondslag van dat besluit uitbreidt. Voor zover de rechtbank mocht hebben beoogd aldus toepassing te geven aan artikel 8:69, tweede lid, van de Awb, wijst de Raad erop dat deze bepaling uitsluitend ziet op het ambtshalve aanvullen van de rechtsgronden van het beroep en dus niet van (de motivering van) het in beroep bestreden besluit.

4.1.2. De Raad ziet, mede gelet op het gegeven dat artikel 8:69, eerste (en tweede) lid, van de Awb volgens vaste rechtspraak van openbare orde is, in het voorgaande aanleiding de aangevallen uitspraak te vernietigen.

4.2. De Raad zal vervolgens doen hetgeen de rechtbank had behoren te doen en de door appellante aangevoerde beroepsgronden bespreken.

4.2.1. De Raad begrijpt het standpunt van appellante aldus, dat zij meent dat de rechtmatigheid van het opschortingsbesluit van

15 april 2008 beoordeeld dient te worden teneinde te kunnen beoordelen of de in verband met de behandeling van het bezwaar gemaakte kosten voor vergoeding in aanmerking komen.

4.2.2. Met verwijzing naar zijn uitspraak van 4 november 2008, LJN BG4603, overweegt de Raad dat de enkele omstandigheid dat de betrokkene aan het dwangmiddel van opschorting gevolg geeft door het verzuim te herstellen, waarna de opschorting wordt opgeheven, niet kan leiden tot de conclusie dat het belang bij een inhoudelijke behandeling van het bezwaar tegen de opschorting verloren is gegaan. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (zie onder meer de uitspraak van 15 december 2009, LJN BK7220) kan een belang bij beoordeling van een ingediend bezwaar gelegen zijn in het feit dat is verzocht om vergoeding van de aan het bezwaar verbonden kosten op grond van artikel 7:15 van de Awb. Anders dan het College is de Raad dan ook van oordeel dat het processueel belang van appellante bij een beoordeling van het besluit van 15 april 2008 niet is komen te vervallen doordat het recht op bijstand is hersteld met ingang van de datum van opschorting.

4.2.3. Uit het onder 4.2 tot en met 4.2.2 overwogene volgt dat het College het bezwaar tegen het besluit van 15 april 2008 ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard, zodat het besluit van 28 mei 2008 voor vernietiging in aanmerking komt.

4.3. De Raad beschikt over voldoende gegevens om de zaak, met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder c, van de Awb, zelf af te doen. Hij overweegt in dit verband als volgt.

4.3.1. Ingevolge artikel 54, eerste lid, van de WWB, voor zover hier van belang, kan het college het recht op bijstand opschorten indien de belanghebbende de voor de verlening van bijstand van belang zijnde gegevens of gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt.

4.3.2. Appellante heeft in beroep aangevoerd dat geen sprake was van verwijtbaarheid als bedoeld in artikel 54, eerste lid, van de WWB, aangezien zij in het kader van een schuldsanering ingevolge de Wet schuldsanering natuurlijke personen haar post met vertraging via de bewindvoerder ontvangt. Als gevolg daarvan bereikte de brief van het College van 27 maart 2008 appellante (ruim) na 4 april 2008, zodat zij niet meer tijdig aan het daarin opgenomen verzoek kon voldoen.

4.3.3. Nu het College de door appellante beschreven - alsmede gedocumenteerde en derhalve verifieerbare - gang van zaken niet heeft weersproken, houdt de Raad deze voor juist en komt hij tot het oordeel dat het appellante niet kan worden verweten dat zij het verzochte stuk niet tijdig heeft overgelegd. Het College was derhalve niet bevoegd om het recht op bijstand van appellante met toepassing van artikel 54, eerste lid, van de WWB op te schorten.

4.3.4. Gelet op hetgeen onder 4.3.1 tot en met 4.3.3 is overwogen, kan het besluit van 15 april 2008 in rechte geen stand houden en zal de Raad dit besluit herroepen.

5. Daarmee is voldaan aan de voorwaarden voor toekenning van een vergoeding in de kosten van het bezwaar op grond van artikel 7:15 van de Awb. Deze kosten worden begroot op € 322,-- voor verleende rechtsbijstand. De Raad zal het College met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in die kosten veroordelen.

6. De Raad ziet voorts aanleiding om het College te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 322,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 28 mei 2008;

Herroept het besluit van 15 april 2008;

Bepaalt dat de uitspraak van de Raad in de plaats treedt van de aangevallen uitspraak;

Veroordeelt het College in de kosten van appellante tot een bedrag van € 1.288,--; Bepaalt dat het College aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 149,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en J.N.A. Bootsma en W.F. Claessens als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 mei 2011.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) R. Scheffer.

HD