Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ6308

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-05-2011
Datum publicatie
30-05-2011
Zaaknummer
09-4503 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om in aanmerking te worden gebracht voor een periodieke uitkering en/of voorzieningen op grond van de Wubo. Duidelijk is dat appellante psychische klachten ondervindt van de omstandigheden tijdens en na de oorlog. Op basis van de voorhanden zijnde gegevens kan echter niet worden geconcludeerd dat deze in betekenende mate zijn toe te schrijven aan de geverifieerde calamiteit, de internering tijdens de Japanse bezetting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/4503 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[Appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante),

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, thans: de Pensioen- en Uitkeringsraad, (hierna: verweerder)

Datum uitspraak: 12 mei 2011

I. PROCESVERLOOP

Dit geding, dat aanvankelijk is gevoerd door de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR), is in verband met een wijziging van taken, zoals neergelegd in de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen (Wet van 15 april 2010, Stb. 2010, 182), voortgezet door de Pensioen- en Uitkeringsraad als bedoeld in die wet. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van verweerder wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de - voormalige - Raadskamer WUBO van de PUR.

Appellante heeft beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 2 juli 2009, kenmerk BZ 9000, JZ/Y70/2009. Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo), verder: bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 juli 2010, waar appellante niet is verschenen, zoals tevoren was gemeld. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T.R.A. Dircke, destijds werkzaam bij de PUR.

Na de behandeling ter zitting heeft de Raad aanleiding gezien appellante nader te laten onderzoeken door professor dr. G.F. Koerselman, psychiater bij het Sint Lucas Andreas ziekenhuis te Amsterdam. Appellante is bij brief van 18 november 2010 opgeroepen door deze deskundige voor een medisch onderzoek op 30 november 2010. Op die dag is zij niet verschenen.

Aan appellante is bij brief van de Raad van 6 december 2010 verzocht aan te geven om welke reden zij niet is verschenen. Hierop heeft haar echtgenoot bij brief van

13 december 2010 meegedeeld dat appellante bij het bijgesloten schrijven van

23 november 2010 aan prof. Koerselman had laten weten de afspraak met hem af te zeggen, omdat - kort gezegd - zij het onmogelijk kon opbrengen om alles wat ze heeft meegemaakt en de gevolgen daarvan nog eens te herhalen.

Het onderzoek ter zitting heeft opnieuw plaatsgevonden op 31 maart 2011. Appellante is niet verschenen, zoals tevoren was gemeld. Verweerder heeft zich laten vertegen-woordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank (Svb).

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante, geboren in 1938 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in februari 2008 aan aanvraag ingediend om in aanmerking te worden gebracht voor een periodieke uitkering en/of voorzieningen op grond van de Wubo. Bij besluit van 2 maart 2009 is hierop afwijzend beslist, welke afwijzing is gehandhaafd bij het bestreden besluit.

1.2. Verweerder heeft erkend dat is komen vast te staan dat appellante met haar moeder en twee van de andere kinderen gedurende vijf maanden geïnterneerd is geweest in het Siantar Dokterfonds Hospitaal tijdens de Japanse bezetting. Naar het oordeel van verweerder staan de psychische klachten, hoofdpijn, duizeligheid en klachten van het bewegingsapparaat van appellante echter niet in verband met de door haar meegemaakte internering, maar zijn deze door andere oorzaken ontstaan. Er is volgens verweerder dus geen sprake van blijvende invaliditeit door het oorlogsgeweld. Het meemaken van beschietingen in kamp K tijdens de Bersiap-periode heeft verweerder hierbij buiten beschouwing gelaten, omdat van betrokkenheid van appellante hierbij geen bevestiging is verkregen en evenmin is bevestigd dat sprake was van een levensbedreigende situatie.

1.3. Appellante heeft aangevoerd dat ze getuige is geweest van wreedheden, begaan door Japanse soldaten en dat haar vader door de Japanners is mishandeld. Haar psychische klachten zijn volgens haar juist door de internering ontstaan en niet hoofdzakelijk door andere gebeurtenissen.

2. De Raad overweegt als volgt.

2.1. Gelet op het bepaalde in artikel 2, eerste lid, van de Wubo, moet de Raad beoordelen of verweerder op goede gronden tot het oordeel is gekomen dat bij appellante geen sprake is van met de internering samenhangend tot blijvende invaliditeit leidend letsel.

2.2. Naar uit de gedingstukken blijkt, is het standpunt van verweerder in overeen-stemming met de adviezen van de geneeskundig adviseurs van de PUR. Deze adviezen berusten op een persoonlijk onderhoud met appellante en informatie van de huisarts. Uit die adviezen komt naar voren dat de bij appellante aanwezige psychische klachten zijn ontstaan door de Japanse bezetting als geheel, de internering van haar vader en het meemaken van luchtaanvallen. De Bersiap-periode heeft appellante als dreigender ervaren dan de Japanse tijd, zo ook de generaalscoup in 1957/1958. De geneeskundig adviseurs hebben geconcludeerd dat de psychische problematiek van appellante hoofdzakelijk moet worden toegeschreven aan andere gebeurtenissen dan de internering.

2.3. De Raad heeft het aangewezen geacht dat appellante wordt onderzocht door een door de Raad benoemde psychiater om helderheid te krijgen over de aard en ernst van de bij appellante aanwezige psychische klachten en de oorzaak daarvan. Om haar moverende redenen heeft appellante ervan afgezien om aan dit onderzoek mee te werken. Op grond van het bepaalde in artikel 8:31 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de Raad daaruit de gevolgtrekkingen maken die hem geraden voorkomen. De Raad acht het aangewezen het geschil thans te beoordelen aan de hand van de omtrent appellante bekende medische gegevens. De Raad neemt daarbij als uitgangspunt de onder 2.2 beschreven adviezen van de geneeskundig adviseurs van de PUR.

2.4. Appellante heeft tijdens het persoonlijk onderhoud met de arts Maas expliciet aangegeven dat het verblijf in het Siantar Dokterfonds Hospitaal relatief veiliger was dan het verblijf erbuiten. De internering heeft slechts vijf maanden geduurd en ze kon zich daarvan geen nare voorvallen herinneren. Appellante heeft toen aangegeven dat ze de Bersiap-periode als bedreigender heeft ervaren dan de Japanse bezettingstijd en dat ze vooral aan die laatste periode angst heeft overgehouden. Ze is vooral angstig in het donker, omdat de beschietingen tijdens de Bersiap-periode in het donker plaatsvonden, evenals de generaalscoup in 1957/1958. In bezwaar heeft appellante nog naar voren gebracht dat ze heftige verdrietaanvallen heeft, onder andere door het overlijden van haar zusje in het kamp K, een beschermingskamp tijdens de Bersiap-periode.

2.5. Duidelijk is dat appellante psychische klachten ondervindt van de omstandigheden tijdens en na de oorlog. Op basis van de voorhanden zijnde gegevens kan echter niet worden geconcludeerd dat deze in betekenende mate zijn toe te schrijven aan de geverifieerde calamiteit, de internering tijdens de Japanse bezetting.

3. Gezien het vorenstaande dient het beroep van appellante ongegrond te worden verklaard.

4. De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en R. Kooper en A.J. Schaap als leden, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2011.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) I. Mos.

HD