Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ5838

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-05-2011
Datum publicatie
26-05-2011
Zaaknummer
09-3284 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Juiste beperkingen in acht genomen. Geduide functies worden geschikt geacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/3284 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 26 mei 2009, 08/3072 (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 25 mei 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.F.A.M. Collart, advocaat te Geldrop, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Bij brief van 29 september 2009 aangevuld met het rapport van de bezwaarverzekeringsarts mr. drs. E.J.M. van Paridon van 7 augustus 2009, een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 19 augustus 2009 waarin ten aanzien van appellant alsnog verdere beperkingen zijn opgenomen in verband met allergieklachten en voor knielen en hurken, en voorts het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige A.G. Diergaarde van 15 september 2009.

Bij brief van 12 augustus 2010 heeft appellant nadere medische en arbeidskundige informatie toegestuurd.

Het Uwv heeft bij brieven van 27 oktober 2010 en 14 februari 2011 de reactie op die informatie van bezwaarverzekeringsarts Van Paridon van 7 oktober 2010 en van bezwaararbeidsdeskundige F.J.M. van den Bliek van 11 februari 2011 aan de Raad doen toekomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 april 2011 waar appellant is verschenen, bijgestaan door mr. R. Janssen, advocaat te Helmond. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door L. den Hartog.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant, geboren op 28 juli 1956, ontving een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. Op 12 maart 2008 is appellant onderzocht door de verzekeringsarts R. Lustermans. Deze verzekeringsarts heeft geconcludeerd dat appellant in staat is arbeid te verrichten die in overeenstemming is met zijn beperkingen zoals die zijn weergegeven in de FML van 17 maart 2008. Na raadpleging van het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) heeft de arbeidsdeskundige B. Ekkelenkamp een aantal functies geselecteerd, die blijkens zijn rapport van 2 april 2008 in overeenstemming worden geacht met de beperkingen van appellant en waarmee hij een zodanig inkomen kan verdienen dat sprake is van een verlies aan verdiencapaciteit van 10,3%.

2.1. Bij besluit van 17 april 2008 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellant om die reden met ingang van 18 juni 2008 ingetrokken.

2.2. Bij besluit van 30 juli 2008 (hierna: bestreden besluit), met bijbehorende rapportages van de bezwaarverzekeringsarts Van Paridon van 10 juli 2008 op basis waarvan de FML op 11 juli 2008 is gecorrigeerd, en de bezwaararbeidsdeskundige R.B. van Vliet van 25 juli 2008, is het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

2.3. In de aangevallen uitspraak is het tegen het bestreden besluit gerichte beroep van appellant ongegrond verklaard. Ten aanzien van de medische grondslag heeft de rechtbank overwogen dat er geen aanleiding bestaat het Uwv niet te volgen in diens standpunt dat bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 18 juni 2008 voldoende rekening is gehouden met zijn beperkingen. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank overwogen dat de geselecteerde functies verkoper groothandel (Sbc-code 317012), administratief medewerker (Sbc-code 315090) en telefonist (Sbc-code 513120) terecht geschikt zijn geacht voor appellant en dat de signaleringen voldoende zijn toegelicht in de rapporten van de bezwaararbeidsdeskundige van 2 april 2008 en 25 juli 2008. Mitsdien heeft het Uwv zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 18 juni 2008 minder dan 15% bedraagt.

3. In hoger beroep heeft appellant medische gronden aangevoerd en - kort samengevat - gesteld dat het Uwv onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn klachten en dat de beperkingen onjuist zijn vastgesteld. Ten onrechte is geen rekening gehouden met de beperkingen die voortvloeien uit de hooikoorts en uit de problemen aan zijn rechter knie. Naar de mening van appellant heeft hij gezien zijn beperkingen geen benutbare mogelijkheden. Appellant acht zich zowel in lichamelijk als in psychisch opzicht niet zelfredzaam.

4.1. De Raad kan zich geheel verenigen met hetgeen het Uwv in hoger beroep heeft aangevoerd en wijst hierbij met name op het verweerschrift van 30 juli 2009, de rapporten van de bezwaarverzekeringsarts Van Paridon van 10 juli 2008, 7 augustus 2009 en 7 oktober 2010 en van de bezwaararbeidsdeskundigen Van Vliet van 25 juli 2008, Diergaarde van 15 september 2009 en Van den Bliek van 11 februari 2011. De Raad stelt vast dat de bezwaarverzekeringsarts en laatstgenoemde bezwaararbeidsdeskundige afdoende hebben gereageerd op de door appellant bij brief van 12 augustus 2010 ingebrachte informatie. De van belang zijnde medisch objectieve gegevens waren reeds transparant, inzichtelijk en consistent weergegeven en correct vertaald in de beperkingen die zijn opgenomen in de FML zoals die is bijgesteld op 19 augustus 2009. Voor het aannemen van meer of verdergaande beperkingen voor appellant ziet de Raad op grond van de beschikbare informatie geen aanleiding. Ook de eerst ter zitting van de Raad - met toestemming van het Uwv - overgelegde brief van de huisarts van 3 februari 2009 brengt de Raad niet tot een ander oordeel. In die brief heeft de huisarts vermeld dat appellant bekend is met degeneratieve afwijkingen aan zijn rug en dat hij objectief bezien geen nieuwe afwijkingen kan vaststellen. De Raad overweegt in dit verband nog dat de eigen, subjectieve ervaringen van appellant bij de onderhavige beoordeling niet doorslaggevend kunnen zijn.

4.2. De Raad is gelet op het overwogene bij 4.1 tot het oordeel gekomen dat de hierboven onder punt 2.3 genoemde functies terecht door het Uwv per 18 juni 2008 geschikt zijn geacht voor appellant. Hetgeen appellant in hoger beroep naar voren heeft gebracht, geeft de Raad geen aanknopingspunt om tot een ander oordeel te komen.

4.3. Het Uwv heeft dan ook terecht de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 18 juni 2008 bepaald op minder dan 15%. De Raad ziet geen reden in de onderhavige zaak tot een ander oordeel te komen dan gegeven in de aangevallen uitspraak, zodat deze voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Nu het Uwv in hoger beroep de FML nog heeft moeten bijstellen, acht de Raad termen aanwezig om het Uwv op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellant voor verleende rechtsbijstand, in beroep (2 x € 322,-) en in hoger beroep (2 x € 322,-).

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in beroep tot een bedrag van € 644,-;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van € 644,-, te betalen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal (€ 39,- + € 110,-) € 149,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door als D.J. van der Vos als voorzitter en T. Hoogenboom en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van R.L. Venneman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 mei 2011.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) R.L. Venneman.

IvR