Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ5693

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-05-2011
Datum publicatie
24-05-2011
Zaaknummer
09-4928 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Loonsanctie. De re-integratie-inspanningen van appellante zijn onvoldoende geweest. Voor dit verzuim ontbreekt een deugdelijke grond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/4928 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 12 augustus 2009, 08/8818, (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 18 mei 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. K.U.J. Hopman, advocaat te Alkmaar, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 februari 2011. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Hopman, bijgestaan door A. van Rossum. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.J. Grasmeijer.

II. OVERWEGINGEN

1.1. [J.H.v L.] (hierna: de werkneemster), die werkzaam was als medewerker financiering/officemanager voor 40 uur per week bij appellante, heeft zich per 1 mei 2006 ziek gemeld in verband met chronische vermoeidheidsklachten. Op 2 februari 2008 heeft de werkneemster een aanvraag om uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) ingediend.

1.2. Bij besluit van 2 april 2008 heeft het Uwv het tijdvak waarin de werkneemster jegens appellante als werkgever recht heeft op loon tijdens ziekte, verlengd met 52 weken. De verlenging - ook wel kortweg loonsanctie genoemd - is opgelegd in aansluiting aan de normale wachttijd van 104 weken op de grond dat de re-integratie-inspanningen van appellante onvoldoende zijn geweest. Voor dit verzuim ontbreekt volgens het Uwv een deugdelijke grond. Daarbij heeft het Uwv toepassing gegeven aan artikel 25, negende lid, van de Wet WIA, in verbinding met artikel 65, eerste lid van die wet.

1.3. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 28 oktober 2008 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante, kort weergegeven, aangevoerd dat de wijze van weergeven van de functionele mogelijkheden van werkneemster in het actuele oordeel van 11 januari 2008 door de bedrijfsarts is geschied met de bedoeling een situatie te creëren van 80 tot 100% arbeidsongeschiktheid, nu de arbeidsdeskundige van Salto de kans op het verkrijgen van passend werk uiterst gering achtte. In een dergelijke situatie kan een werkgever niet worden belast met re-integratie-activiteiten. Het gegeven dat werkneemster uiteindelijk een WGA-uitkering is toegekend berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, bevestigt volgens appellante de stelling dat zij geen aanleiding had behoeven te zien voor twijfel aan de adviezen van de bedrijfsarts en de arbeidsdeskundige van Salto.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. Met de rechtbank is de Raad, onder verwijzing naar zijn uitspraak van 18 november 2009 (LJN BK3713), allereerst van oordeel dat appellante verantwoordelijk is en blijft voor de re-integratie van de werkneemster, met inbegrip van de werkzaamheden van degene(n) die zij daarbij inschakelt. Voorts kan worden vastgesteld dat de stukken voldoende steun bieden voor de conclusie van het Uwv dat gedurende de wachttijd ten aanzien van de werkneemster sprake is geweest van onvoldoende re-integratie-inspanningen door appellante. Dat appellante op basis van dezelfde beperkingen als weergegeven in de functionele mogelijkhedenlijst van 10 maart 2008 per 23 april 2009, na afloop van de loonsanctie, in aanmerking is gebracht voor een WGA-uitkering betekent niet dat werkneemster in de hier van belang zijnde periode buiten staat was re-integratie-inspanningen te leveren. In dit verband wijst de Raad op de rapportages van de arbeidsdeskundige H. de Vries van 26 februari 2008 en 18 maart 2008 en van de bezwaararbeidsdeskundige A. Diepenhorst van 28 september 2009.

4.3. Het vorenstaande leidt de Raad tot het oordeel dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van R.L. Venneman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2011.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) R.L. Venneman.

NW