Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ5660

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-05-2011
Datum publicatie
24-05-2011
Zaaknummer
09/530 NIOAZ + 09/4142 NIOAZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering IOAZ-uitkering. Schending van de inlichtingenverplichting. Ten onrechte geen toekenning om een vergoeding van de kosten in de bezwaarfase.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/530 NIOAZ

09/4142 NIOAZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 18 januari 2009, 08/1435 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Lelystad (hierna: College)

Datum uitspraak: 17 mei 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. G.J.A.M. Gloudi, advocaat te Lelystad, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 april 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Gloudi. Het College heeft zich niet laten vertegenwoordigen. Voorafgaand aan de zitting heeft het College een pleitnota aan de Raad doen toekomen. Deze pleitnota is met toestemming van appellant in het geding betrokken.

II. OVERWEGINGEN

1.1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.2. Van 1981 tot 2000 was appellant eigenaar van een drukkerij. Appellant is ook voordien werkzaam geweest in de grafische sector.

1.3. Bij besluit van 22 november 2000 heeft het College aan appellant met ingang van 7 augustus 2000 een uitkering toegekend ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ).

1.4. In februari 2001 heeft appellant het College meegedeeld dat hij gemiddeld 4 uur per week werkzaam is voor [bedrijf 1] te [plaatsnaam]. Op 8 mei 2006 heeft appellant bij het College melding gemaakt van het feit dat hij met ingang van 1 mei 2006 4 uur per maand werkzaam is voor [bedrijf 2] te [plaatsnaam]. Daarbij heeft appellant een arbeidsovereenkomst overgelegd. Vanaf mei 2007 tot en met februari 2008 heeft appellant opgave gedaan van bij [bedrijf 2] verrichte werkzaamheden gedurende 16 uur per maand.

1.5. Op verzoek van het afdelingshoofd van de afdeling Werk en Inkomen van de gemeente Lelystad heeft de Sociale Recherche Flevoland (sociale recherche) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verstrekte uitkering. In dat kader heeft dossieronderzoek plaatsgevonden, zijn observaties verricht, is appellant verhoord en zijn getuigen gehoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van sociaal rechercheur J. Aalbers van 17 maart 2008.

1.6. De onderzoeksbevindingen van de sociale recherche zijn voor het College aanleiding geweest om bij besluit van 1 april 2008 het recht op uitkering van appellant over de periode van 1 februari 2001 tot en met 29 februari 2008 te herzien en met ingang van 1 februari 2008 in te trekken. Bij besluit van 2 april 2008 heeft het College de ten onrechte aan appellant over de periode van 1 januari 2002 tot en met 29 februari 2008 betaalde uitkering ten bedrage van € 70.541,77 van hem teruggevorderd.

1.7. Bij besluit van 12 augustus 2008 heeft het College - onder verwijzing naar het advies van de bezwaarschriftencommissie van 11 juni 2008 - het bezwaar van appellant tegen het besluit van 1 april 2008 ongegrond verklaard. Hieraan ligt ten grondslag het standpunt dat appellant onvoldoende inlichtingen heeft verstrekt over de omvang van zijn werkzaamheden voor [bedrijf 1] en later [bedrijf 2], waardoor het recht op een IOAZ-uitkering niet kan worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen inzake proceskosten en griffierecht - het beroep van appellant tegen het besluit van 12 augustus 2008 gegrond verklaard, dit besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigd en het College opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van appellant met inachtneming van haar uitspraak. De rechtbank heeft daarbij geoordeeld dat het rapport van de sociale recherche een ontoereikende grondslag biedt voor het standpunt van het College dat appellant van 1 februari 2001 tot 1 januari 2005 verzwegen werkzaamheden heeft verricht. Voor de periode van 1 januari 2005 tot en met 29 februari 2008 komt de rechtbank tot het oordeel dat het opsporingsonderzoek daartoe wel een toereikende grondslag biedt. Appellant heeft zijn stelling dat hij uitsluitend conform zijn opgave aan het College werkzaam is geweest niet aannemelijk gemaakt.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gekeerd tegen het oordeel van de rechtbank over de periode van 1 januari 2005 tot en met 29 februari 2008.

4. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het College hangende het hoger beroep bij besluit van 29 april 2009 opnieuw beslist op het bezwaar van appellant tegen het besluit van 1 april 2008. Daarbij heeft het College dit bezwaar voor zover het betreft de intrekking van de IOAZ-uitkering over de periode van 1 februari 2001 tot 1 januari 2005 gegrond verklaard en voor wat betreft de intrekking over de periode 1 januari 2005 tot en met 29 februari 2008 opnieuw ongegrond verklaard. De Raad merkt het besluit van 29 april 2009, dat niet volledig aan het bezwaar van appellant tegemoet komt, aan als een besluit dat met toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Awb, mede in de beoordeling moet worden betrokken.

5. De Raad overweegt ten aanzien van de aangevallen uitspraak als volgt.

5.1. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat appellant voor wat betreft de periode van 1 januari 2005 tot en met 29 februari 2008 niet heeft voldaan aan de op hem rustende inlichtingenverplichting ingevolge artikel 13, eerste lid, van de IOAZ, door geen volledige openheid van zaken te geven over de omvang van zijn werkzaamheden voor achtereenvolgens [bedrijf 1] en [bedrijf 2]. Uit de - talrijke - observaties van de sociale recherche gedurende de periode van 18 december 2007 tot en met 11 maart 2008 blijkt dat appellant nagenoeg dagelijks en gedurende hele dagen in het bedrijf [bedrijf 2] aanwezig was. Op

11 maart 2008 heeft appellant tegenover de sociale recherche verklaard dat het door hen bij de observaties waargenomen patroon al een jaartje of drie voortduurt, maar dat hij slechts 16 uur per week productief werk voor [bedrijf 2] verricht. De overige 24 uur per week houdt hij zich met privézaken bezig, waaronder het spelen van spelletjes op de computer en het met behulp van internet bijhouden van vakliteratuur. De eigenaar van [bedrijf 2] heeft op 11 maart 2008 tegenover de sociale recherche verklaard dat het bedrijf drukwerk maakt en een internetwinkel in horecaproducten exploiteert. Het bedrijf [bedrijf 2] is de doorstart van het in februari 2004 failliet gegane [bedrijf 1]. Vanaf 2001/2002 is appellant in het bedrijf actief. De eigenaar bevestigt de verklaring van appellant dat hij slechts 16 uur per week productief werk levert. Voorts verklaart de eigenaar dat hij appellant sinds 2006 - geheel om niet - een Renault Kangoo ter beschikking heeft gesteld en dat appellant ook voor 2006 van een van zijn auto’s gebruik kon maken. Een werknemer van [bedrijf 2] heeft op 11 maart 2008 tegenover de sociale recherche verklaard dat hij met ingang van september 2005 als stagiair bij [bedrijf 2] is begonnen en dat appellant al daarvoor en sindsdien vijf dagen per week in het bedrijf werkzaam is geweest. Bij afwezigheid van de eigenaar is appellant het aanspreekpunt.

5.2. Naar vaste rechtspraak van de Raad, zoals onder meer neergelegd in de uitspraak van de Raad van 20 september 2005, LJN AU2890, veronderstelt de aanwezigheid tijdens reguliere arbeidsuren op een bestaande werkplek dat de betreffende persoon daadwerkelijk op geld waardeerbare arbeid verricht. Nu appellant het tegendeel niet aannemelijk heeft gemaakt, ziet de Raad geen aanleiding hierover in het geval van appellant anders te oordelen. Voor de Raad staat op grond van de in 5.1 genoemde feiten - in onderlinge samenhang bezien - vast dat appellant in de periode thans nog in geding substantieel meer werkzaamheden heeft verricht dan door hem aan het College opgegeven. Nu de precieze omvang van deze werkzaamheden onmiskenbaar van belang is voor het bepalen van het recht op een IOAW-uitkering, is de Raad van oordeel dat het College zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat ten gevolge van de schending van de inlichtingenverplichting het recht van appellant op een uitkering niet kan worden vastgesteld. Hieruit volgt dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.

6.1. Ten aanzien van het nadere besluit van 29 april 2009 stelt de Raad vast dat daarin op juiste wijze uitvoering is gegeven aan de aangevallen uitspraak, zodat gelet op het hiervoor overwogene de gronden met betrekking tot de schending van de inlichtingenverplichting geen verdere bespreking meer behoeven. Nu door deze schending het recht op uitkering niet is vast te stellen, heeft het College de uitkering van appellant over de periode van 1 januari 2005 tot en met 29 februari 2008 op goede gronden herzien. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen dringende redenen als bedoeld in artikel 17, vijfde lid, van de IOAZ (oud) op grond waarvan het College gehouden was van intrekking af te zien.

6.2. Appellant heeft voorts tegen het besluit van 29 april 2009 aangevoerd dat het College, nu dit besluit een gedeeltelijke gegrondverklaring van het bezwaar inhoudt, ten onrechte geen vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in de bezwaarfase heeft toegekend. Tevens heeft appellant een vergoeding van renteschade gevorderd, maar dit verzoek ter zitting van de Raad ingetrokken. De Raad is met appellant van oordeel dat nu tijdig om bezwaarkosten is verzocht en het primaire intrekkingsbesluit gedeeltelijk is herroepen wegens aan het College te wijten onrechtmatigheid, ten onrechte geen vergoeding als bedoeld in artikel 7:15 van de de Awb is toegekend. Hieruit volgt dat het beroep van appellant tegen het besluit van 29 april 2009 gegrond dient te worden verklaard, voor zover daarin niet is beslist op het verzoek van appellant om een vergoeding van de kosten in de bezwaarfase, en hieruit volgt tevens dat dit besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

6. De Raad ziet ten slotte aanleiding om het College te veroordelen in de kosten van appellant in bezwaar en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,-- voor in de bezwaarfase verleende rechtsbijstand en € 644,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 29 april 2009 gegrond voor zover daarin niet is beslist op het verzoek van appellant om een vergoeding van de kosten in de bezwaarfase:

Vernietig het besluit van 29 april 2009 in zoverre;

Veroordeelt het College in de kosten van appellant tot een bedrag van € 1.288,--, waarvan een bedrag van € 644,--, te betalen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het College aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 107,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en H.J. de Mooij en N.M. van Waterschoot als leden, in tegenwoordigheid van J. van Dam als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 mei 2011.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) J. van Dam.

HD