Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ5591

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-05-2011
Datum publicatie
24-05-2011
Zaaknummer
10-3317 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Geen aanknopingspunten gevonden om de conclusies van de (bezwaar)verzekeringarts van het Uwv voor onjuist te houden. Er is zorgvuldig onderzoek verricht en uit de voorhanden medische gegevens komt niet naar voren dat de beperkingen van appellant zijn onderschat. Appellant wordt met zijn beperkingen in staat geacht de uiteindelijk aan de schatting ten grondslag gelegde functies te vervullen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/3317 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 4 mei 2010, 09/625 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 20 mei 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.F.M. Güppertz, advocaat te Cuijk, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, met daarbij gevoegd een rapport van bezwaarverzekeringsarts I.F.D. van den Bold van 8 september 2010.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 april 2011. Voor appellant is verschenen mr. Güppertz. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door V.A.R. Kali.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was werkzaam als houtbewerker toen hij in juni 1998 uitviel voor zijn werk wegens rugklachten. In aansluiting op het doorlopen van de wettelijke wachttijd is hem een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In 2000 en 2004 is de WAO-uitkering van appellant ongewijzigd voortgezet.

1.2. Op 7 april 2008 is appellant in het kader van het aangepaste Schattingsbesluit onderzocht tijdens het spreekuur van de verzekeringsarts D.H. Balakumaran. Deze heeft de in het dossier vermelde gegevens en de door appellant ingevulde vragenlijst bestudeerd. Tevens heeft hij de psyche van appellant onderzocht en lichamelijk onderzoek verricht. Als diagnosen heeft hij genoteerd: overige deformerende aandoening nek/rug, chronische aanpassingsstoornis met somatisatie en hoofdpijn. Deze verzekeringsarts heeft de mogelijkheden en beperkingen van appellant neergelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 7 april 2008. Arbeidsdeskundige Y. Rietmeijer heeft in een rapport van 9 juni 2008 na functieselectie de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant berekend op minder dan 15%.

1.3. Bij besluit van 11 juni 2008 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellant met ingang van 12 augustus 2008 ingetrokken, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per die datum minder dan 15% is.

1.4. In bezwaar heeft appellant (para)medische informatie overgelegd, afkomstig van de oefentherapeute Cesar C. Hanegraaf-van der Heijden van 30 juni 2008, van de neuroloog dr. W.I.M. Verhagen van 10 juni 2008 en van KNO-arts dr. S.C.F. van den Borne van 22 augustus 2008. De bezwaarverzekeringsarts Van den Bold heeft de dossiergegevens bestudeerd, appellant tijdens een spreekuurcontact op 22 september 2008 onderzocht en telefonisch informatie ingewonnen bij de huisarts van appellant. In een rapport van 19 december 2008 heeft Van den Bold na weging van aldus door haar verzamelde gegevens geconcludeerd dat de FML van 7 april 2008 kan worden gehandhaafd. Vervolgens heeft bezwaararbeidsdeskundige J.A.F. Vrijburg in een rapport van 9 januari 2009 geconcludeerd dat een primair geduide functie dient te vervallen, maar dat de functies productiemedewerker industrie (sbc-code 111180), wikkelaar, samensteller elektronische apparatuur (sbc-code 267050), textielproductenmaker (sbc-code 111160) en productiemedewerker textiel, geen kleding (sbc-code 272043) voor appellant passend zijn te achten. Vergelijking van het maatmaninkomen met het mediane loon van de eerste drie geduide functies geeft een verlies aan verdiencapaciteit te zien van 26,02%. Bij besluit op bezwaar van 13 januari 2009 (bestreden besluit) is het bezwaar gegrond verklaard en is de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant met ingang van 12 augustus 2008 bepaald op 25 tot 35%.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat het Uwv de medische beperkingen van appellant tot het verrichten van arbeid niet zijn onderschat. Zowel met de lichamelijke als de psychische klachten van appellant is door de (bezwaar)verzekeringsarts rekening gehouden. De door appellant overgelegde informatie van de GGZ leidt, gelet op het rapport van bezwaarverzekeringsarts Van den Bold van 3 april 2009, niet tot het oordeel dat meer beperkingen in de FML hadden moeten worden aangenomen. Appellant is naar het oordeel van de rechtbank terecht geschikt geacht voor de uiteindelijk aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde functies. Ten slotte heeft de rechtbank geconcludeerd dat het Uwv de WAO-uitkering van appellant met ingang van 12 augustus 2008 heeft herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

3.1. In hoger beroep is namens appellant aangevoerd dat de afgelopen negen jaar zijn medische situatie onveranderd dezelfde is gebleven, zo niet erger geworden. Ter onderbouwing van dit standpunt is een verklaring van dr. O. Özdemir, specialist in neurochirurgie van het Centrum voor onderzoek en toepassing van het Universiteitsziekenhuis Baskent, ingediend. Deze verklaring houdt in dat na onderzoek bij appellant op 29 juni 2010 rond de L5-S1 sprake is van “bilaterale pars interartikularis fractuur” en spondylolisthesis bij de L5-S1. Als gevolg hiervan heeft appellant niet alleen zware rugklachten. Deze beperkingen werken ook uit op zijn psyche.

3.2. Het Uwv heeft, onder verwijzing naar het in rubriek I vermelde rapport van bezwaarverzekeringsarts Van den Bold, zijn standpunt gehandhaafd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank over de medische grondslag van het bestreden besluit. Evenals de rechtbank heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden om de conclusies van de (bezwaar)verzekeringarts van het Uwv voor onjuist te houden. Er is zorgvuldig onderzoek verricht en uit de voorhanden medische gegevens komt niet naar voren dat de beperkingen van appellant zijn onderschat. Met betrekking tot de in hoger beroep ingediende verklaring van dr. Özdemir heeft de bezwaarverzekeringsarts Van den Bold in haar rapport van 8 september 2010 - naar het oordeel van de Raad: overtuigend - uiteengezet dat en waarom deze verklaring niet leidt tot aanpassing van de FML van 7 april 2008. Ook de brief van 4 januari 2011 van revalidatiearts drs. M. Danen bevat naar het oordeel van de Raad geen aanknopingspunten voor het oordeel dat met deze FML de mogelijkheden van appellant tot het verrichten van arbeid op de datum hier in geding zijn overschat. De Raad zal dan ook geen medisch deskundige benoemen, zoals ter zitting gevraagd.

4.2. Aldus uitgaande van de juistheid van deze FML is ook de Raad evenals de rechtbank van oordeel dat appellant met zijn beperkingen in staat moet worden geacht de uiteindelijk aan de schatting ten grondslag gelegde functies te vervullen.

4.3. Uit de overwegingen 4.1. en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van N.S.A. El Hana als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2011.

(get.) J.P.M. Zeijen.

(get.) N.S.A. El Hana.

TM