Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ5242

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-05-2011
Datum publicatie
24-05-2011
Zaaknummer
09/2627 WWB + 09/2677 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering (bijzondere)bijstandsuitkering is terecht. Appellante is niet-ontvankelijk in haar hoger beroep, aangezien zij geen beroep heeft ingesteld bij de rechtbank. De onderzoeksbevindingen bieden een toereikende grondslag voor het standpunt sprake was van transacties door appellant met auto’s. Op geld waardeerbare activiteiten. Schending inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/2627 WWB

09/2677 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] en [appellante], beiden wonende te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 1 april 2009, 08/3144 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 17 mei 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. T.A. Vetter, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 april 2011. Voor appellanten is mr. Vetter verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. A.C. van Helvoort, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellanten ontvangen vanaf 25 maart 2001 bijstand, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB), naar de norm voor gehuwden.

1.2. Uit informatie van de Dienst Wegverkeer (RDW) is gebleken dat appellant geen mededeling aan het College heeft gedaan van elf auto’s die vanaf 31 januari 2002 op zijn naam hebben gestaan. Hierop is een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 19 januari 2007.

1.3. Naar aanleiding van de onderzoeksresultaten heeft het College bij besluit van 2 januari 2008 de bijstand van appellanten over februari 2002, augustus en november 2004, maart, april en juni 2005, januari, augustus tot en met oktober 2006 ingetrokken en een bedrag van € 12.470,79 aan gemaakte kosten van bijstand en een bedrag van € 523,09 aan verstrekte bijzondere bijstand teruggevorderd.

1.4. Bij besluit van 4 juli 2008 heeft het College het bezwaar van appellant tegen het besluit van 2 januari 2008 ongegrond verklaard. Hieraan heeft het College ten grondslag gelegd dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden door aan het College geen mededeling te doen van werkzaamheden die hij in de betreffende maanden heeft verricht in de autohandel, waardoor het recht op bijstand niet is vast te stellen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 4 juli 2008 ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Zij hebben - samengevat - aangevoerd dat geen sprake was van autohandel.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. De Raad ziet aanleiding eerst over de ontvankelijkheid van het hoger beroep van appellante te oordelen.

4.1.1. Ingevolge artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet kan, voor zover hier van belang, een belanghebbende hoger beroep instellen tegen een uitspraak van een rechtbank.

4.1.2. Op grond van artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan geen beroep bij de administratieve rechter worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij, voor zover hier van belang, geen bezwaar heeft gemaakt. Ingevolge artikel 6:24 van de Awb is artikel 6:13 van overeenkomstige toepassing indien hoger beroep kan worden ingesteld.

4.1.3. Uit het beroepschrift van 11 augustus 2008, gericht tegen het besluit van 4 juli 2008, blijkt niet dat het beroep (ook) namens appellante is ingesteld. Dit heeft er dan ook in geresulteerd dat in de aangevallen uitspraak als eisende partij uitsluitend appellant is aangemerkt. Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van appellanten desgevraagd geen verklaring kunnen geven waarom destijds niet ook namens appellante beroep is ingesteld. Van de aanwezigheid van feiten of omstandigheden in verband waarmee appellante redelijkerwijs niet kan worden verweten geen beroep te hebben ingesteld is ook overigens niet gebleken.

4.1.4. Het hoger beroep van appellante zal op grond van hetgeen is overwogen in 4.1.1 tot en met 4.1.3 niet-ontvankelijk worden verklaard.

4.2. Inzake het hoger beroep van appellant oordeelt de Raad als volgt.

4.2.1. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de onderzoeksbevindingen een toereikende grondslag bieden voor het standpunt van het College dat in februari 2002, augustus en november 2004, maart, april en juni 2005, januari, augustus tot en met oktober 2006 sprake was van transacties door appellant met auto’s. In die maanden werd telkens een auto die gedurende korte tijd - niet langer dan vier maanden - op naam van appellant stond, overgeschreven op naam van een derde. In de maand augustus 2004 stonden nog twee andere auto’s op naam van appellant en in maart en april 2005 nog een andere auto. De Raad volgt appellant niet in zijn stelling dat de in november 2004, maart 2005 en september 2006 overgeschreven auto’s bij wijze van vriendendienst op zijn naam stonden, nu deze stelling niet met concrete en verifieerbare gegevens is onderbouwd. De transacties moeten worden aangemerkt als op geld waardeerbare activiteiten, waarvan het appellant duidelijk moet zijn geweest dat zij van invloed konden zijn op de omvang van zijn recht op bijstand. De Raad is dan ook van oordeel dat appellant ten tijde hier van belang de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Het is dan aan appellant om aannemelijk te maken dat in het geval wel aan de inlichtingenverplichting zou zijn voldaan, over de betreffende maanden recht op (aanvullende) bijstand bestond. Anders dan appellant meent, rust derhalve niet op het College de taak om mede aan de hand van gegevens van de RDW onderzoek in te stellen naar (de opbrengst van) de transacties. Appellant heeft van de transacties geen administratie bijgehouden en de aankoop en de verkoop van de auto’s gebeurde contant. Dit brengt met zich dat als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in welke mate, appellanten over de maanden hier van belang in bijstandbehoevende omstandigheden hebben verkeerd, zodat het recht op bijstand over deze maanden niet kan worden vastgesteld.

4.2.2. Gelet op het vorenstaande was het College bevoegd om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand over de maanden februari 2002, augustus en november 2004, maart, april en juni 2005, januari, augustus tot en met oktober 2006 in te trekken. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn intrekkingsbevoegdheid.

4.2.3. Met hetgeen in 4.2.2 is overwogen is tevens gegeven dat het College op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd was de gemaakte kosten van bijstand over de genoemde maanden van appellanten terug te vorderen. Het College heeft gehandeld in overeenstemming met zijn beleid inzake terugvordering. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College met overeenkomstige toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Awb geheel of ten dele van dat beleid had moeten afwijken.

4.2.4. Het hoger beroep van appellant slaagt niet. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Nu de aangevallen uitspraak in stand blijft, kan er op grond van het bepaalde in artikel 8:73 van de Awb in verbinding met artikel 21, eerste lid van de Beroepswet geen sprake zijn van een veroordeling tot schadevergoeding, zoals door appellant verzocht.

6. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep van appellante niet-ontvankelijk;

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en J.F. Bandringa en C.G. Kasdorp als leden, in tegenwoordigheid van J. van Dam als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 mei 2011.

(get.) C. van Viegen.

(get.) J. van Dam.

HD