Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ5071

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-05-2011
Datum publicatie
19-05-2011
Zaaknummer
10-4114 WAJONG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om terug te komen van het besluit van 4 januari 2000, waarbij de aanvraag van een Wajong-uitkering is afgewezen. Geen nieuwe feiten of omstandigheden. Er is geen sprake van dat een ander beeld van de psychische toestand van appellant oprijst dan waarvan indertijd is uitgegaan en waarvan bovendien gezegd kan worden dat die betekenis heeft voor de datum met ingang waarvan uitkering is geweigerd. De omstandigheid dat de TBS-maatregel is voortgezet en dat appellant inmiddels op een zogeheten long stay afdeling verblijft is daarvoor, als het gaat om de medische situatie ontoereikend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/4114 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 28 juni 2010, 09/2408 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 18 mei 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.P.F. Tummers, advocaat te Nijmegen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 april 2011. Appellant is verschenen bij zijn gemachtigde mr. Tummers. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J.H. Maas.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 4 januari 2000 heeft het Uwv afwijzend beslist op de aanvraag van appellant (geboren [datum] 1971) om toekenning van een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong), op de grond dat appellant met ingang van [datum]1989, de datum waarop hij 18 jaar werd, met de bij hem bestaande medische arbeidsbeperkingen in staat moet worden geacht met voor hem passende werkzaamheden een zodanig inkomen te verwerven dat er geen verlies aan verdiencapaciteit resteert, zodat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid minder dan 25% bedraagt. Voorts is bij dit besluit opgemerkt dat een eventuele uitkering niet vroeger zou kunnen ingaan dan een jaar voor de dag, waarop de aanvraag werd ingediend (16 maart 1999). Tegen dit besluit is geen rechtsmiddel aangewend.

2. Op 1 december 2008 heeft appellant een verzoek ingediend om hem alsnog in aanmerking te brengen voor een Wajong-uitkering. Bij besluit van 8 januari 2009 is dit verzoek afgewezen, omdat dit geen nieuwe feiten en omstandigheden bevat die zouden moeten leiden tot de conclusie dat het besluit van 4 januari 2000 onjuist was. Het door appellant tegen dit besluit gemaakt bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 9 juli 2009 (het bestreden besluit), onder verwijzing naar het bepaalde in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), ongegrond verklaard.

3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak (samengevat) geoordeeld dat de door appellant overgelegde rapportage van 12 november 1998 van het Pieter Baan Centrum en de daarin gestelde diagnose geen nieuw feit of veranderde omstandigheid is als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Deze rapportage was reeds bekend vóór het besluit van

4 januari 2000 en had destijds of in bezwaar tegen dit besluit al ingebracht kunnen en dus ook moeten worden. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat uit het rapport van 30 juni 2009 van de bezwaarverzekeringsarts blijkt dat tijdens de beoordeling in 2000 dezelfde medische diagnose al bekend was.

4.1. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat wel sprake is van een nieuw feit c.q. veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Daarbij heeft appellant gewezen op de omstandigheid dat een hem opgelegde TBS-maatregel telkenmale is verlengd, waaruit valt af te leiden dat, ondanks intensieve psychiatrische behandeling, geen verbetering heeft plaatsgevonden van het psychiatrisch beeld. Voorts heeft appellant betwist dat uit de aan het besluit van 4 januari 2000 ten grondslag liggende (verzekeringsgeneeskundige) rapportages valt af te leiden dat de door het Pieter Baan Centrum in het rapport van 12 november 1998 opgenomen diagnose al bekend was. Ten slotte heeft appellant gewezen op een uitspraak van de Raad van 3 februari 2010, LJN BL1958, waaraan appellant voor zijn stelling dat sprake is van een veranderde omstandigheid steun ontleent.

4.2. Bij verweerschrift heeft het Uwv erop gewezen dat uit het aan het besluit van 4 januari 2000 ten grondslag liggende rapport van 4 augustus 1999 van de verzekeringsarts blijkt dat hij op de hoogte was van het feit dat appellant TBS met dwangverpleging opgelegd had gekregen en dat de psychiater gezegd zou hebben dat appellant een schizo-affectieve persoonlijkheid zou hebben. De verzekeringsarts heeft dan ook een specifieke persoonlijkheidsstoornis gediagnosticeerd op basis waarvan de belastbaarheid werd vastgesteld.

5.1. De Raad overweegt het volgende.

5.2. Met de rechtbank ziet de Raad de aanvraag van 1 december 2008 als een verzoek om terug te komen van het besluit van 4 januari 2000, waarbij de aanvraag van een Wajong-uitkering is afgewezen.

5.3. Artikel 4:6, eerste lid, van de Awb bepaalt dat, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.

5.4. De aanvraag van 1 december 2008 heeft het Uwv in de bezwaarfase van de besluitvorming inhoudelijk beoordeeld. Hij heeft zijn bij besluit van 8 januari 2009 gedane afwijzing gehandhaafd.

5.5.1. Een bestuursorgaan is in het algemeen bevoegd om, na een eerdere afwijzing, een herhaalde aanvraag inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Het bepaalde in artikel 4:6 van de Awb staat daaraan niet in de weg.

5.5.2. Als het Uwv deze bevoegdheid gebruikt en de eerdere afwijzing handhaaft, opent dit echter niet de weg naar een volledige rechterlijke toetsing, want dat verdraagt zich niet met de dwingend voorgeschreven termijn(en) voor het instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. Daarom beperkte de rechtbank zich terecht tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.

5.6. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de door appellant aangevoerde omstandigheden niet als een nieuw feit of een veranderde omstandigheid als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb kunnen worden aangemerkt.

5.7.1. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat het rapport van het Pieter Baan Centrum uit 1998 geen nieuw feit of veranderde omstandigheid is, omdat dit rapport, althans de daarin opgenomen diagnose, bij de rechtsvoorganger van het Uwv bekend moet zijn geweest. Dit valt te ontlenen aan de anamnese op pagina 1 van het verzekeringsgeneeskundig rapport van 4 augustus 1999 dat ten grondslag ligt aan het besluit van 4 januari 2000.

5.7.2. In de gegevens van medische en andere aard die bekend zijn geworden na het besluit van 4 januari 2000 ziet de Raad geen veranderde omstandigheid als bedoeld in 4:6 van de Awb. Anders dan in de door appellant aangehaalde uitspraak van 3 februari 2010, LJN BL1958, is in deze zaak er geen sprake van dat een ander beeld van de psychische toestand van appellant oprijst dan waarvan indertijd is uitgegaan en waarvan bovendien gezegd kan worden dat die betekenis heeft voor de situatie per [datum] 1989, de datum met ingang waarvan uitkering is geweigerd. De omstandigheid dat de TBS-maatregel is voortgezet en dat appellant inmiddels op een zogeheten long stay afdeling verblijft is daarvoor, als het gaat om de medische situatie per 19 december 1989, ontoereikend.

5.8. Naar het oordeel van de Raad kan dan ook niet worden gezegd dat het Uwv niet in redelijkheid tot het bestreden besluit kon komen dan wel daarbij anderszins handelde in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel dan wel met een algemeen rechtsbeginsel.

6. Het hoger beroep slaagt daarom niet.

7. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2011.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) M.A. van Amerongen.

NW