Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ4714

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-05-2011
Datum publicatie
16-05-2011
Zaaknummer
10-5492 WSF
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling vordering. Onterecht bezit van de OV-studentenkaart.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/5492 WSF

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 26 augustus 2010, 10/11 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de Minister).

Datum uitspraak: 13 mei 2011

I. PROCESVERLOOP

In dit geding is een uitspraak aan de orde over een besluit dat is genomen door de Informatie Beheer Groep (hierna: IB-Groep). Op 1 januari 2010 is de Wet van 15 oktober 2009 tot intrekking van de Wet verzelfstandiging informatiseringsbank en wijziging van diverse wetten in verband met de oprichting van de Dienst Uitvoering Onderwijs in werking getreden. Als gevolg hiervan is de IB-Groep opgehouden te bestaan. Ingevolge artikel XXI, eerste lid, van de wet treedt in dit geding de Minister in de plaats van de IB-Groep. In deze uitspraak wordt onder de Minister tevens verstaan de IB-Groep.

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De Minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 april 2011. Appellant is in persoon verschenen. Voor de Minister is verschenen mr. K.F. Hofstee.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant heeft studiefinanciering ontvangen tot en met juli 2009. Met betrekking tot dit recht heeft hij van de Minister onder meer het besluit van 7 november 2008 (Bericht Studiefinanciering 2009, nr. 1) toegezonden gekregen. In dat besluit is vermeld dat appellant vanaf 1 augustus 2009 geen recht meer heeft op een toelage omdat hij niet aan de leeftijdsvoorwaarde voldoet. Bij de wijzigingen is op dat besluit vermeld dat er per

1 augustus 2009 geen recht meer op een OV-studentenkaart en/of OV-vergoeding bestaat. Tegen dit besluit heeft appellant geen bezwaar gemaakt.

2. Bij besluit van 29 augustus 2009 (Bericht Studiefinanciering 2009, nr. 2) heeft de Minister ten laste van appellant een vordering ter hoogte van € 136,- vastgesteld wegens onterecht bezit van de OV-kaart over de maand augustus 2009.

3. Het door appellant hiertegen ingediende bezwaar is bij besluit van 9 november 2009 ongegrond verklaard.

4. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen dit besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat enkel het onterechte bezit van de OV-studentenkaart leidt tot een vordering en dat daarbij niet van belang is dat de kaart niet is gebruikt. De rechtbank heeft appellant niet gevolgd in diens stelling dat de Minister in zijn zorgplicht tekort is geschoten; de aan appellant uitgereikte folder en de tekst op de OV-kaart maken voldoende duidelijk dat het recht op de kaart is gekoppeld aan het recht op studiefinanciering. Deze koppeling maakt bovendien deel uit van de hoofdlijnen van de Wsf 2000 zodat appellant mag worden geacht daarvan op de hoogte te zijn geweest. De rechtbank heeft geoordeeld dat de Minister terecht en op goede gronden is gekomen tot zijn besluit de vordering op te leggen.

5. In hoger beroep heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat hij er na een kort gesprek met de helpdesk van de Minister, volgend op zijn constatering dat er in de maand augustus 2009 geen studiefinanciering was uitbetaald, achter kwam dat hij vanwege het bereiken van de 34-jarige leeftijd geen recht meer had op studiefinanciering. Vervolgens heeft hij kort daarop zijn OV-studentenkaart ingeleverd. Appellant is van mening dat de Minister moet aantonen dat appellant van de te late inlevering een verwijt te maken valt. Tot slot heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat de Minister hem duidelijker had moeten wijzen op het eind van zijn recht op studiefinanciering. Door pas eind augustus 2009 een besluit te verzenden heeft de Minister de vordering op appellant hoger laten oplopen dan nodig was.

6.1. Bij niet tijdig inleveren van de OV-studentenkaart is degene aan wie de kaart is verstrekt ingevolge artikel 3.27, derde lid, van de Wet studiefinanciering 2000, zoals dat luidde ten tijde hier van belang, voor het nog resterende deel van de geldigheidsduur ervan een bedrag van € 68,- per halve kalendermaand of een deel van een halve kalendermaand verschuldigd, tenzij met betrekking tot die periode of een gedeelte daarvan wordt aangetoond dat het niet tijdig inleveren van de kaart betrokkene op geen enkele wijze kan worden toegerekend.

6.2. De Raad stelt allereerst vast dat appellant niet bestrijdt dat de OV-kaart niet tijdig is ingeleverd. Tussen partijen is uitsluitend in geschil of appellant kon weten dat hij de kaart begin augustus 2009 had moeten inleveren en of de Minister wegens de te late inlevering een vordering mocht vaststellen van € 136,-. In dit verband moet ook de vraag worden beantwoord of het niet tijdig inleveren van de OV-kaart appellant op geen enkele wijze kan worden toegerekend.

6.3. De Raad is van oordeel dat appellant had kunnen weten dat hij vanaf 1 augustus 2009 geen recht op meer had op studiefinanciering omdat hij vanaf dat moment niet langer voldeed aan de leeftijdsvoorwaarde. Dat is hem ook door de Minister meegedeeld in het besluit van 7 november 2008. Niet alleen is in dat besluit aan appellant meegedeeld dat zijn recht op studiefinanciering eindigde, uitdrukkelijk is er daarin ook op gewezen dat appellant per 1 augustus 2009 geen recht meer had op een OV-studentenkaart en/of OV-vergoeding.

6.4. Dat appellant de kaart, naar hij zelf stelt onbewust en zonder deze te gebruiken, in zijn bezit heeft gehouden en dat hij deze pas heeft ingeleverd toen hij erachter kwam dat er geen studiefinanciering aan hem was uitbetaald in de maand augustus 2009, is iets dat voor zijn rekening en risico komt. Naar het oordeel van de Raad kan in dit verband niet worden gezegd dat de Minister, door appellant er (niet eerder dan) in het besluit van 29 augustus 2009 op te wijzen dat hij een OV-schuld had opgebouwd, tekort is geschoten in zijn zorgplicht.

6.5. In navolging van de Minister wijst de Raad erop dat hij reeds vaker heeft uitgesproken dat de vordering wegens onterecht bezit van de OV-studentenkaart niet kan worden beschouwd als een punitieve sanctie. De door appellant naar voren gebrachte beroepsgronden die uitgaan van de veronderstelling dat de opgelegde vordering een punitief karakter heeft, waaronder de grond dat de vordering mogelijk in strijd is met het bepaalde in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, slagen dan ook niet.

6.6. In hetgeen door appellant naar voren is gebracht heeft de Minister naar het oordeel van de Raad geen aanleiding hoeven zien de vaststelling van de vordering achterwege te laten op de grond dat zou zijn aangetoond dat het niet tijdig inleveren van de OV-kaart appellant op geen enkele wijze kon worden toegerekend.

6.7. Uit hetgeen is overwogen in 6.1 tot en met 6.6 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

7. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2011.

(get.) I.M.J. Hilhorst-Hagen.

(get.) M.A. van Amerongen.

NW