Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ4683

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-05-2011
Datum publicatie
16-05-2011
Zaaknummer
10-3746 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op een uitkering ingevolge de Wet WIA. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/3746 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante] wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 27 mei 2010, 09/1916 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 13 mei 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.A.N.H. Verkoeijen, advocaat te Venlo, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 april 2011. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Het Uwv is niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is op 26 juni 2007 in verband met hartklachten uitgevallen vanuit haar functie van productiemedewerker vlaaien. Appellante is onderzocht door een verzekeringsarts. Deze heeft een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld. Volgens de verzekeringsarts zijn benutbare mogelijkheden te prognosticeren. Een voorbehoud geldt voor piekende belastingen. Sterk stresserende condities met veel hectiek zijn te mijden. De verzekeringsarts heeft rekening gehouden met informatie van de cardiologen Heesen, Bracke en Post. Vervolgens is rapport uitgebracht door een arbeidsdeskundige. Deze heeft het verlies aan verdiencapaciteit vastgesteld op ruim 13%. Bij besluit van 7 april 2009 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante met ingang van 1 juli 2009 geen recht heeft op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

1.2. De bezwaarverzekeringsarts heeft meer beperkingen aangenomen op de FML. Deze heeft appellante gesproken op de hoorzitting en informatie van 17 juli 2009 van cardioloog Van der Voort in de beoordeling betrokken. Ten aanzien van de prognose voor de ablatiebehandeling is door de bezwaarverzekeringsarts overwogen dat bij de beperkingen is uitgegaan van de nog niet succesvol behandelde situatie. Voorts is rekening gehouden met een verminderde inspanningstolerantie en beperkingen om fysieke overbelasting tegen te gaan. Aanvullende beperkingen zijn aangenomen voor hoog arbeidstempo, nachtwerk, structureel overwerk en wisselende diensten. Gelet op de aangenomen beperkingen heeft de bezwaarverzekeringsarts geen reden gezien het maximaal aantal arbeidsuren per week verder terug te brengen dan tot 40 uur. De bezwaararbeidsdeskundige heeft het verlies aan verdiencapaciteit vastgesteld op ruim 17%. Bij besluit van 23 november 2009 (het bestreden besluit) is het bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Het bestreden besluit berust naar het oordeel van de rechtbank op een juiste medische grondslag. Naar het oordeel van de rechtbank is voldaan aan de aan het medische onderzoek te stellen zorgvuldigheidseisen en is niet gebleken dat appellante op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten niet in staat was werk te verrichten binnen de voor haar geldende beperkingen. De rechtbank heeft overwogen dat de beroepsgronden afdoende zijn besproken door de bezwaarverzekeringsarts in diens rapportage van 15 oktober 2009. De informatie van de behandelend sector, waaronder de informatie van de cardioloog, is uitdrukkelijk en in voldoende mate in de medische beoordeling meegenomen. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat appellante geen informatie heeft overgelegd waaruit blijkt dat het standpunt van het Uwv over de door appellante bepleite urenbeperking onjuist is. Wat betreft de arbeidskundige grondslag heeft de rechtbank de conclusies van de bezwaararbeidsdeskundige gevolgd. De geselecteerde functies worden qua totale belasting geschikt geacht. De bezwaararbeidsdeskundige heeft voldoende aandacht geschonken aan het opleidingsniveau van appellante. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat voldoende is toegelicht dat appellante met haar kennisniveau van de Nederlandse taal in staat moet worden geacht de geselecteerde functies te verrichten.

3. Appellante heeft in hoger beroep haar in beroep ingenomen stellingen herhaald. Deze komen erop neer dat meer beperkingen moeten worden aangenomen, waaronder een urenbeperking, en dat gelet op de beperkingen de geselecteerde functies niet geschikt zijn. Voorts is herhaald dat appellante niet voldoet aan de opleidingseisen en dat de urenomvang van de maatman onjuist is vastgesteld.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. De Raad ziet geen aanleiding over de medische grondslag van het bestreden besluit een ander oordeel te geven dan de rechtbank. Daarbij heeft de Raad in de eerste plaats in aanmerking genomen dat ook naar zijn oordeel de medische grondslag op een zorgvuldig onderzoek berust. Evenmin ziet de Raad aanleiding om te twijfelen aan de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid. De bezwaarverzekeringsarts heeft op grond van de onderzoeksbevindingen en de ingebrachte medische informatie de door de verzekeringsarts vastgestelde belastbaarheid op enkele punten aangescherpt. Ook in hoger beroep is niet gebleken van objectief-medische gegevens die steun geven aan de stelling van appellante dat bij de aangescherpte FML onvoldoende beperkingen zijn aangenomen.

4.2. De omstandigheid dat de hartklachten na de operatie niet zijn verbeterd, leidt niet tot een ander oordeel. De bezwaarverzekeringsarts heeft immers aangegeven dat bij het vaststellen van de beperkingen is uitgegaan van de nog niet succesvol behandelde situatie. De Raad heeft geen aanleiding om aan de juistheid hiervan te twijfelen. Voorts neemt de Raad in aanmerking dat de bezwaarverzekeringsarts overtuigend heeft gemotiveerd dat bij inachtneming van de vastgestelde beperkingen geen noodzaak bestaat om tevens een urenbeperking aan te nemen.

4.3. Wat betreft de ter zitting door appellante gestelde verdergaande beperkingen overweegt de Raad dat daarvoor geen onderbouwing is ingebracht, bijvoorbeeld in de vorm van een rapport of informatie van een (behandelend) arts. Ook anderszins is niet gebleken van medische informatie die een ander licht werpt op de belastbaarheid van appellante op de datum in geding. De Raad merkt in dit verband op dat een eventuele verslechtering van de gezondheidssituatie na de datum in geding bij de onderhavige beoordeling buiten beschouwing moet blijven.

4.4. De Raad kan appellante niet volgen in haar stelling dat zij in het geheel geen productiewerk kan verrichten. De monitoring/bijstelling plan van aanpak van 5 februari 2008 van arbeidsdeskundige Charrois heeft immers betrekking op de eventuele terugkeer in het productiewerk dat appellante voor haar uitval verrichtte, nog daargelaten dat de bijstelling is opgesteld in het kader van de re-integratie van appellante bijna anderhalf jaar voor de datum in geding. De constatering van Charrois dat appellante niet geschikt is voor het productiewerk, is dan ook in overeenstemming met de vaststelling van de (bezwaar)arbeidsdeskundige dat appellante ongeschikt is voor de volledige maatmanfunctie.

4.5. De bezwaararbeidsdeskundige heeft de omvang van de maatmanfunctie vastgesteld op 29,03 uur per week. Appellante heeft gesteld dat zij in die functie 40 uur per week werkzaam is geweest. Ter zitting van de Raad heeft appellante gesteld dat zij een dienstverband had voor 40 uur per week maar dat zij minder is gaan werken omdat zij ziek was. De Raad overweegt dat appellante op 16 februari 2007 via Tempoteam als uitzendkracht werkzaamheden is gaan verrichten voor Bakkersland. De bezwaararbeidsdeskundige heeft de urenomvang bepaald op basis van de vier volledige aangiftetijdvakken die aan de eerste arbeidsongeschiktheidsdag voorafgaan. Daarbij is hij uitgegaan van de gegevens van het formulier Loongegevens waarin de gewerkte weken, het aantal uren per week en het SV-loon zijn vermeld. Gesteld noch gebleken is dat appellante zich voorafgaand aan de eerste arbeidsongeschiktheidsdag van 26 juni 2007 vanuit haar functie heeft ziekgemeld. Gelet daarop ziet de Raad geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de door de bezwaararbeidsdeskundige gehanteerde gegevens en berekeningswijze. Deze zijn naar het oordeel van de Raad in overeenstemming met artikel 10, eerste lid, in verbinding met artikel 7a, eerste en tweede lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten.

4.6. Wat betreft de door de bezwaararbeidskundige geselecteerde functies is de Raad met de rechtbank van oordeel dat de geschiktheid daarvan door de bezwaararbeidsdeskundige voldoende is toegelicht. De Raad is niet gebleken dat de belasting in de functies de belastbaarheid van appellante overschrijdt. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellante terecht in staat is geacht de geselecteerde functies te verrichten.

4.7. Appellante heeft in hoger beroep haar standpunt herhaald dat haar opleidingsniveau niet aansluit bij het in de functies vereiste opleidingsniveau en dat zij de Nederlandse taal niet op het benodigde niveau kan spreken. De rechtbank heeft overwogen dat de arbeidsdeskundige in voldoende mate aandacht geschonken heeft aan het opleidingsniveau van appellante en voldoende heeft toegelicht dat zij in staat moet worden geacht met haar kennisniveau van de Nederlandse taal de geselecteerde functies te kunnen uitoefenen. De Raad ziet geen aanleiding tot een ander oordeel te komen. De Raad verenigt zich met deze overwegingen van de rechtbank en maakt deze tot de zijne.

4.8. Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L. de Vries en H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2011.

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) D.E.P.M. Bary.

NW