Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ4668

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-04-2011
Datum publicatie
16-05-2011
Zaaknummer
08/7189 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Ontvangen studiefinanciering. Schending inlichtingenverplichting. Geen dringende redenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/7189 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 10 november 2008, 08/1284 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 12 april 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J. Nieuwstraten, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld en nog nadere stukken ingediend.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 februari 2011. Voor appellant is verschenen mr. Nieuwstraten. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Dinç, werkzaam bij de gemeente Rotterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1 Bij besluit van 19 juni 2007 heeft het College aan appellant met ingang van

1 mei 2007 bijstand toegekend naar de norm voor een alleenstaande, jonger dan 21 jaar.

1.2. Nadat appellant op een door hem op 1 augustus 2007 ondertekend rechtmatigheidsformulier aan het College had doorgegeven dat hij in de maand juni 2007, een bedrag van € 541,-- van de Informatie Beheer Groep (hierna: IB-groep) had ontvangen, heeft het College een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. Uit dat onderzoek is gebleken dat appellant vanaf 1 augustus 2005 tot - in elk geval - november 2007 studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf) heeft ontvangen.

1.3. Bij besluit van 19 november 2007 heeft het College de bijstand met ingang van

1 mei 2007 ingetrokken en de over de periode van 1 mei 2007 tot en met 30 juni 2007 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrage van € 416,97 van appellant teruggevorderd. Daaraan heeft het College ten grondslag gelegd dat appellant studiefinanciering ontvangt en geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

1.4. Bij besluit van 18 februari 2008 heeft het College het bezwaar tegen het besluit 19 november 2007 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 18 februari 2008 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt eerst - ambtshalve oordelend - vast dat de rechtbank haar oordeel niet heeft gebaseerd op een door het College aan het besluit van 18 februari 2008 ten grondslag gelegde grond. Het besluit van 18 februari 2008 is immers gebaseerd op de grond dat appellant met de ontvangst van studiefinanciering op grond van de Wsf beschikt over voldoende middelen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. De rechtbank heeft haar oordeel gebaseerd op de grond dat studiefinanciering op grond van de Wsf is aan te merken als een voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de WWB. Naar vaste rechtspraak van de Raad verdraagt zich niet met de in artikel 8:69, eerset lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde afbakening van de omvang van het geding dat de bestuursrechter in het kader van de toetsing van het in beroep bestreden besluit de grondslag van dat besluit uitbreidt. Voor zover de rechtbank mocht hebben beoogd aldus toepassing te geven aan artikel 8:69, eerste lid, van de Awb wijst de Raad erop dat deze bepaling uitsluitend ziet op het ambtshalve aanvullen van de rechtsgronden van het beroep en niet op de (motivering) van het in beroep bestreden besluit. De Raad ziet, mede gelet op het gegeven dat artikel 8:69, eerste lid, van de Awb van openbare orde is, reeds in het voorgaande aanleiding de aangevallen uitspraak te vernietigen. De Raad zal vervolgens doen hetgeen de rechtbank zou behoren te doen en het besluit van 18 februari 2008 beoordelen.

4.2. De Raad stelt voorop dat ten aanzien van de intrekking tussen partijen uitsluitend de periode van 1 mei 2007 tot en met 30 juni 2007 in geschil is.

4.3. De Raad stelt vast dat appellant ten tijde hier van belang studiefinanciering heeft ontvangen tot een bedrag dat hoger is dan de voor hem geldende bijstandsnorm. Appellant beschikte derhalve over voldoende middelen om te voorzien in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Daaraan doet niet af dat de IB-groep achteraf heeft vastgesteld dat appellant geen recht had op studiefinanciering en de uitgekeerde bedragen heeft geboekt als schuld. De Raad verwijst daartoe naar zijn uitspraak van 28 oktober 2008, LJN BG1808. Appellant had daarom, gelet op het bepaalde in artikel 11, eerste lid, van de WWB, ten tijde hier van belang geen recht op algemene bijstand. Appellant heeft van het feit dat hij ten tijde hier van belang studiefinanciering ontving eerst in augustus 2007 mededeling gedaan aan het College. Daarmee heeft hij de ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden. Als gevolg daarvan heeft het College aan appellant ten onrechte bijstand over de hier in geding zijnde periode verleend. Gelet hierop was het College op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd om bijstand met ingang van 1 mei 2007 in te trekken.

4.4. Het College was, gelet op hetgeen onder 4.3 is overwogen, tevens bevoegd de kosten van de aan appellant over de periode van 1 mei 2007 tot en met 30 juni 2007 verleende bijstand van hem terug te vorderen met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB.

4.5.1. Het College voert ten aanzien van de uitoefening van de bevoegdheid tot terugvordering het beleid dat het steeds tot terugvordering overgaat, tenzij er dringende redenen zijn om daarvan geheel of gedeeltelijk af te zien.

4.5.2. Appellant betoogt dat er sprake is van dergelijke dringende redenen. Hij heeft in dit verband aangevoerd dat de schending van de inlichtingenverplichting hem niet kan worden verweten vanwege zijn schizofrene klachten. Ook kon hij hierdoor de gevolgen van het niet nakomen van de inlichtingenverplichting destijds niet overzien en is de over de maanden mei en juni 2007 uitgekeerde studiefinanciering achteraf opgeboekt als een schuld.

4.5.3. De Raad stelt vast dat appellant, in verband met zijn schizofrene klachten, ten tijde hier van belang niet buiten staat was om zich te laten bijstaan door een derde of om volledig inlichtingen over zijn middelen te verstrekken. Daarbij neemt de Raad aanmerking dat uit de gedingstukken blijkt dat appellant derden heeft ingeschakeld voor het behartigen van zijn belangen. Zo betaalde de moeder van appellant ten tijde hier van belang voor hem de premie ziektekostenverzekering en de huur. Bovendien heeft appellant zich gemeld voor het doen van een aanvraag om bijstand toen hij zijn studie had beëindigd. Daarom kan de omstandigheid dat appellant schizofrene klachten heeft niet als dringende reden worden aangemerkt als bedoeld in het door het College gehanteerde beleid en evenmin als een bijzondere omstandigheid die het College aanleiding had moeten geven om met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Awb van het beleid af te wijken. Dat geldt evenzeer voor de omstandigheid dat de IB-groep de uitgekeerde studiefinanciering heeft geboekt als schuld en appellant het daarmee gemoeide bedrag wellicht op enig moment moet terugbetalen.

4.6. Hetgeen onder 4.2 tot en met 4.5 is overwogen brengt mee dat de Raad het beroep van appellant tegen het besluit van 18 februari 2008 ongegrond zal verklaren.

5. De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 18 februari 2008 ongegrond;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 644,--, te betalen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het College aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van

€ 107,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman als voorzitter en J.N.A. Bootsma en O.L.H.W.I. Korte als leden, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 april 2011.

(get.) J.J.A. Kooijman.

(get.) C. de Blaeij.

JvS