Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ4318

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-04-2011
Datum publicatie
12-05-2011
Zaaknummer
10-2260 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ingangsdatum periodieke Wuv-uitkering voor de weduwe van betrokkene. Betrokkene had zijn Wuv-aanspraken omgezet in aanspraken op grond van de Wubo omdat dat toen gunstiger voor hem was. Bij overlijden van betrokkene ontstond echter een geheel nieuwe situatie, die nader moest worden bezien door verweerder. Hiertoe is in een geval als het onderhavige onvoldoende het automatisch verlengen van de voorzieningen op grond van de Wubo gedurende korte tijd, zonder aan de weduwe voorlichting te verschaffen over mogelijke andere uitkeringsrechten. Nu dit niet is gebeurd, had verweerder naar het oordeel van de Raad naar aanleiding van de aanvraag van appellante de ingangsdatum van artikel 34, eerste lid, onder b, dienen te hanteren. Op grond van die bepaling gaat de uitkering in op de eerste dag van de derde maand volgend op die, waarin het overlijden heeft plaatsgehad. De Raad vernietigt het bestreden besluit en voorziet zelf in de zaak door de ingangsdatum van de uitkering op grond van de Wuv vaststellen op 1 december 2008.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/2260 WUV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[Appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante),

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, thans: de Raad van Bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: verweerder)

Datum uitspraak: 14 april 2011

I. PROCESVERLOOP

In dit geding, dat aanvankelijk is gevoerd door de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR), is in verband met een wijziging van taken, zoals neergelegd in de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen (Wet van 15 april 2010, Stb. 2010, 182), voortgezet door de Raad van Bestuur van de Sociale verzekeringsbank. Waar in deze uitspraak wordt gesproken over verweerder wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de - voormalige - Raadskamer WUV van de PUR.

Appellante heeft beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 12 maart 2010, kenmerk BZ 48852, JZ/P60/2010. Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv), verder: bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 maart 2011. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar broer, [naam broer]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank (Svb).

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Wijlen de heer [naam betrokkene] (verder: betrokkene) is in 1978 erkend als vervolgde in de zin van de Wuv. Met ingang van 1 april 1994 is aan hem een periodieke uitkering toegekend, die niet tot uitbetaling is gekomen in verband met de hoogte van zijn inkomsten. In april 1999 heeft hij verzocht om aanspraken op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo). Dit verzoek is ingewilligd bij besluit van verweerder van 22 februari 2000. Betrokkene is erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wubo en met ingang van 1 april 1999 zijn aan hem toegekend de toeslag op grond van artikel 19 van de Wubo en enkele voorzieningen. De aanspraken op grond van de Wuv zijn met ingang van 1 april 1999 ingetrokken. Betrokkene is [in] 2008 overleden.

1.2. In september 2009 heeft appellante aan verweerder verzocht aan haar een periodieke uitkering toe te kennen als weduwe van betrokkene. Bij besluit van 26 november 2009, gecorrigeerd bij besluit van 14 december 2009, is die uitkering aan appellante toegekend met ingang van 1 september 2009. Het tegen de bij dat besluit gehanteerde ingangsdatum gemaakte bezwaar is ongegrond verklaard bij het in dit geding besteden besluit.

2. Naar aanleiding van hetgeen partijen in beroep naar voren hebben gebracht en de voorhanden zijnde gedingstukken overweegt de Raad als volgt.

2.1. Op grond van artikel 34, eerste lid, onder b, van de Wuv, gaat voor de weduwe die, aansluitend aan het overlijden van de uitkeringsgerechtigde die een uitkering ingevolge deze wet genoot, aanspraak op een uitkering maakt, de uitkering in met ingang van de eerste dag van de derde maand volgend op die, waarin het overlijden heeft plaatsgehad. Op grond van datzelfde artikellid, onder a, gaat de uitkering in de overige gevallen in met ingang van de eerste dag van de maand waarin de aanvraag om een uitkering is ingediend.

2.2. Appellante heeft aangevoerd dat zij na het overlijden van haar echtgenoot onvoldoende is voorgelicht door verweerder. Zij is wel in kennis gesteld van de voortzetting van de voorzieningen op grond van de Wubo gedurende enige tijd, maar ze is niet gewezen op de mogelijkheid dat zij als nabestaande in aanmerking zou kunnen komen voor een uitkering op grond van de Wuv. Pas veel later is aan haar een folder ?Uitkering voor nabestaanden” toegestuurd. Van de zijde van verweerder is aangevoerd dat de Wuv-aanspraken van betrokkene waren ingetrokken en dat om die reden na het overlijden van betrokkene niet ambtshalve een uitkering op grond van de Wuv is verstrekt.

2.3. De Raad volgt verweerder niet in het standpunt dat in dit geval moet worden uitgegaan van de datum van aanvraag door appellante, omdat betrokkene aanspraken ontleende aan de Wubo ten tijde van zijn overlijden. Het was bekend bij verweerder, als uitvoeringsorgaan voor zowel de Wuv als de Wubo, dat betrokkene zijn Wuv-aanspraken had omgezet in aanspraken op grond van de Wubo omdat dat toen gunstiger voor hem was. Bij overlijden van betrokkene ontstond echter een geheel nieuwe situatie, die nader moest worden bezien door verweerder. Hiertoe is in een geval als het onderhavige onvoldoende het automatisch verlengen van de voorzieningen op grond van de Wubo gedurende korte tijd, zonder aan de weduwe voorlichting te verschaffen over mogelijke andere uitkeringsrechten. Nu dit niet is gebeurd, had verweerder naar het oordeel van de Raad naar aanleiding van de aanvraag van appellante de ingangsdatum van artikel 34, eerste lid, onder b, dienen te hanteren. Op grond van die bepaling gaat de uitkering in op de eerste dag van de derde maand volgend op die, waarin het overlijden heeft plaatsgehad.

2.4. Gezien hetgeen onder 2.3 is overwogen, treft het beroep doel en komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking. De Raad zal met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zelf in de zaak voorzien en de ingangsdatum van de uitkering op grond van de Wuv vaststellen op 1 december 2008.

3. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding verweerder op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep tot een bedrag van € 21,40 aan reiskosten van appellante.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit;

Verklaart het bezwaar gegrond en stelt de ingangsdatum van de uitkering op grond van de Wuv van appellante vast op 1 december 2008;

Veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 21,40;

Bepaalt dat verweerder aan appellante het door haar betaalde griffierecht van € 35,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra, in tegenwoordigheid van B. Bekkers als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 april 2011.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) B. Bekkers.

HD