Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ4303

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-04-2011
Datum publicatie
13-05-2011
Zaaknummer
09-6459 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het standpunt van de korpsbeheerder dat de ongeschiktheid van betrokkene voor zijn functie niet haar grond vindt in ziels- of lichaamsgebreken, is onjuist. Dat betekent dat de rechtbank het bestreden besluit op dit onderdeel terecht heeft vernietigd. Aangezien het gebrek dat aan het bestreden besluit kleeft eveneens kleeft aan het besluit van 15 maart 2007 en dit gebrek niet bij een nieuwe beslissing op bezwaar hersteld kan worden, zal de Raad dat besluit herroepen. Dit betekent dat de rechtbank de korpsbeheerder ten onrechte de opdracht heeft gegeven een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.

Dit brengt mee dat aan het ter uitvoering van de aangevallen uitspraak genomen besluit van 3 augustus 2010, dat de Raad op de voet van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in dit geding mede beoordeelt, de grondslag is komen te ontvallen, zodat ook dit besluit moet worden vernietigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2011/184
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/6459 AW, 09/6460 AW en 10/5127 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

de Korpsbeheerder van de politieregio Rotterdam-Rijnmond (hierna: korpsbeheerder) en

[Betrokkene], wonende te [woonplaats], (hierna: betrokkene),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 16 oktober 2009, 08/2297 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

betrokkene

en

de korpsbeheerder

Datum uitspraak: 28 april 2011

I. PROCESVERLOOP

Beide partijen hebben hoger beroep ingesteld.

Beide partijen hebben een verweerschrift ingediend.

Op 3 augustus 2010 heeft de korpsbeheerder ter uitvoering van de aangevallen uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar genomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 maart 2011. De korpsbeheerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R. Konijnendijk, werkzaam bij de gemeente Rotterdam. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. W.J. Dammingh, advocaat te Woerden.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene was werkzaam als medewerker basispolitiezorg bij de basiseenheid Middelland van het district Rotterdam-West van de politieregio Rotterdam-Rijnmond.

1.2. Bij besluit van 29 oktober 2006 is ten aanzien van betrokkene een beoordeling vastgesteld over de periode van 1 januari 2006 tot 25 september 2006.

Bij besluit van 15 maart 2007 heeft de korpsbeheerder betrokkene met toepassing van artikel 94, eerste lid, aanhef en onder g, van het Besluit algemene rechtspositie politie met ingang van 1 mei 2007 ontslag verleend wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het door hem beklede ambt, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken.

Bij het bestreden besluit van 11 juni 2008 heeft de korpsbeheerder de bezwaren van betrokkene tegen de besluiten van 29 oktober 2006 en 15 maart 2007 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en de korpsbeheerder opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak, met bepalingen over vergoeding van proceskosten en griffierecht.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.

3.1. De beoordeling

3.1.1. Met betrekking tot de toetsing van de inhoud van de beoordeling heeft de rechtbank overwogen dat die volgens vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 25 april 2007, LJN BA5298) is beperkt tot de vraag of gezegd moet worden dat de beoordeling op onvoldoende gronden berust. Daarbij geldt als uitgangspunt dat in geval van negatieve oordelen het betrokken bestuursorgaan aan de hand van concrete feiten in rechte aannemelijk moet maken dat die negatieve waardering niet op onvoldoende gronden berust. Daarbij is niet beslissend of elk feit ter adstructie van een waardering boven elke twijfel verheven is, en zelfs is niet van doorslaggevend belang of bepaalde feiten onjuist blijken te zijn vastgesteld of geïnterpreteerd. Het gaat er om of in het totale beeld van de in beschouwing genomen gezichtspunten de gegeven waarderingen de evenbedoelde toetsing kunnen doorstaan. De rechtbank overwoog vervolgens dat de in de beoordeling van betrokkene opgenomen gezichtspunten met concrete informatie en voorvallen zijn onderbouwd, welke voorvallen ook (deels) niet door betrokkene zijn weersproken. Over het gezichtspunt ‘resultaatgerichtheid’ heeft de rechtbank, onder verwijzing naar het desbetreffende reglement, nog overwogen dat ook als de beoordeling hiervan positief zou zijn, dit niet kan afdoen aan het resultaat van de beoordeling. De (gehandhaafde) beoordeling kon de toetsing door de rechtbank doorstaan.

3.1.2. Betrokkene heeft in hoger beroep eerst naar voren gebracht dat deze beoordeling achterwege had moeten blijven, omdat hij in de beoordelingsperiode feitelijk psychisch niet in staat was zijn functie naar behoren te vervullen. De Raad gaat hierin niet met betrokkene mee. Betrokkene heeft immers in genoemde periode bij de politieregio gewerkt zonder dat van uitval door ziekte is gebleken. De stelling dat betrokkene niet heeft kunnen of willen inzien dat bij hem sprake was van een ziektebeeld en dat hij daarom gewoon heeft doorgewerkt, kan niet tot een ander oordeel leiden. Overeenkomstig vaste rechtspraak van de Raad heeft de rechtbank terecht overwogen dat voor de beoordeling op zichzelf niet van betekenis is of gebrekkig functioneren een medische oorzaak heeft.

3.1.3. In het licht van de in overweging 3.1.1 vermelde toetsingsnorm - waarbij het totaalbeeld vooropstaat - is de Raad verder van oordeel dat de rechtbank niet ten onrechte tot de slotsom is gekomen dat de beoordeling in stand moet worden gelaten.

3.1.4. Het hoger beroep van betrokkene slaagt dus niet.

3.1.5. De korpsbeheerder heeft er terecht op gewezen dat de rechtbank ten onrechte het bestreden besluit geheel heeft vernietigd, zonder het deel daarvan dat betrekking heeft op de beoordeling in stand te laten. De aangevallen uitspraak dient in zoverre te worden vernietigd. Het hoger beroep van de korpsbeheerder slaagt dus wel.

3.2. Het ontslag

3.2.1. De rechtbank heeft op dit punt overwogen dat tussen partijen niet in geschil is dat betrokkene zijn werkzaamheden als politieambtenaar niet heeft verricht op een wijze als van hem kon worden verlangd en dat het geschil zich toespitst op de vraag of dit onvoldoende functioneren in overwegende mate is veroorzaakt door ziekte of gebrek. In dit verband heeft de rechtbank gewezen op vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 26 juli 2007, LJN BB1520), die inhoudt dat onderzoek naar het bestaan van een eventuele medische oorzaak van de ongeschiktheid is aangewezen in die gevallen waarin aanwijzingen voorhanden zijn dat de ongeschiktheid van een ambtenaar (mede) voortkomt uit of samenhangt met een ziekte of gebrek, dan wel waarin gerede twijfel bestaat of het onvoldoende functioneren van een ambtenaar wordt veroorzaakt door eigenschappen van karakter, geest of gemoed, dan wel door ziekten of gebreken.

De rechtbank wees er voorts op dat de korpsbeheerder in de bezwaarprocedure het oordeel van de psychiater M. Kazemier heeft gevraagd. Deze heeft betrokkene onderzocht en daarvan op 5 februari 2008 rapport uitgebracht. Gelet op dit rapport is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat de korpsbeheerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het disfunctioneren van betrokkene niet het gevolg was van ziekte of gebrek. Dat de psychiater de vraag of dit disfunctioneren in overwegende mate het gevolg is van het ziektebeeld van betrokkene, gezien de tijd die sinds diens herseninfarct is verlopen, niet meent te kunnen beantwoorden, doet daaraan volgens de rechtbank niet af.

3.2.2. In het rapport van de psychiater Kazemier is vermeld dat betrokkene na een in 1994 doorgemaakt CVA zijn oude niveau in het werk niet meer kon waarmaken. In de periode van 1 januari 2006 tot 25 september 2006 was er sprake van een depressie bij betrokkene als gevolg waarvan zijn executieve functies waren verminderd en bepaalde (minder gunstige) karaktereigenschappen versterkt. De beperking van de executieve functies door de depressie hebben betrekking op: inzicht, analytisch vermogen, besluitvorming, beoordelingsvermogen, zelfvertrouwen en het vermogen tot zelfreflectie (rijpheid, zelfinzicht, discipline). Dat er een relatie bestaat tussen het ziektebeeld en het disfunctioneren is volgens de psychiater Kazemier evident.

3.2.3. In zijn uitspraak van 25 november 2010, LJN BO6501, heeft de Raad al als zijn oordeel gegeven dat de vraag of de vastgestelde medische beperkingen gezien kunnen worden als de oorzaak van het disfunctioneren niet een uitsluitend door een medicus te beantwoorden vraag is. Het gaat om de juridische causaliteit. De tekortkomingen moeten worden benoemd en de rechter moet uiteindelijk de vraag beantwoorden of die tekortkomingen in redelijkheid kunnen worden toegerekend aan de medische beperkingen.

3.2.4. Een rode draad in de tekortkomingen van betrokkene wordt gevormd door zijn onvermogen de gevolgen van zijn handelen goed in te schatten en situaties goed te doorzien, waardoor hij onvoorspelbaar was en soms zeer emotioneel kon reageren. Naar het oordeel van de Raad is dit onvermogen redelijkerwijs terug te voeren op de door de psychiater Kazemier bij betrokkene vastgestelde medische beperkingen als in overweging 3.2.2 vermeld. Deze beperkingen zijn immers van dien aard dat het ervoor moet worden gehouden dat juist deze hebben geleid tot het hiervoor omschreven onvermogen van betrokkene. De Raad betrekt hierbij dat uit eerdere beoordelingen van betrokkene, voorzover in het zaaksdossier aanwezig, van een dergelijk onvermogen niet blijkt, althans bepaald niet in die mate.

3.2.5. Hieruit vloeit voort dat het standpunt van de korpsbeheerder dat de ongeschiktheid van betrokkene voor zijn functie niet haar grond vindt in ziels- of lichaamsgebreken, onjuist is. Dat betekent dat de rechtbank het bestreden besluit op dit onderdeel terecht heeft vernietigd. De aangevallen uitspraak wordt daarom in zoverre bevestigd.

3.2.6. Aangezien het gebrek dat aan het bestreden besluit kleeft eveneens kleeft aan het besluit van 15 maart 2007 en dit gebrek niet bij een nieuwe beslissing op bezwaar hersteld kan worden, zal de Raad dat besluit herroepen. Dit betekent dat de rechtbank de korpsbeheerder ten onrechte de opdracht heeft gegeven een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.

Dit brengt mee dat aan het ter uitvoering van de aangevallen uitspraak genomen besluit van 3 augustus 2010, dat de Raad op de voet van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in dit geding mede beoordeelt, de grondslag is komen te ontvallen, zodat ook dit besluit moet worden vernietigd.

4. Omdat het vorenoverwogene leidt tot een in niet onbelangrijke mate andersluidend dictum dan in de aangevallen uitspraak is verwoord, geeft de Raad er, mede uit een oogpunt van duidelijkheid, de voorkeur aan de aangevallen uitspraak in haar geheel te vernietigen en te doen hetgeen de rechtbank zou behoren te doen.

5. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding appellant op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 2.242,50 aan kosten van rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond voor zover dit ziet op het ontslagbesluit van 15 maart 2007 en vernietigt dat besluit voor dit deel;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit voor het overige ongegrond;

Herroept het besluit van 15 maart 2007;

Vernietigt het besluit van 3 augustus 2010;

Veroordeelt de korpsbeheerder in de proceskosten van betrokkene in beroep en in hoger beroep tot een bedrag van € 2.242,50;

Bepaalt dat de korpsbeheerser aan betrokkene het door hem betaalde griffierecht van in totaal € 145,- vergoedt

Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en K. Zeilemaker en J.Th. Wolleswinkel als leden, in tegenwoordigheid van M. Nijholt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 april 2011.

(get.) J.G. Treffers.

(get.) M. Nijholt.

HD