Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ4192

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-04-2011
Datum publicatie
13-05-2011
Zaaknummer
09/2228 WWB + 09/2281 WWB + 09/2282 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Schending inlichtingenverplichting. Vergoeding voor de kosten in bezwaar.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand 17
Wet werk en bijstand 53a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/2228 WWB

09/2281 WWB

09/2282 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 30 maart 2009, 08/1021, 08/1330 en 09/207 (hierna: aangevallen uitspraak),

in de gedingen tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Smallingerland (hierna: College)

Datum uitspraak: 19 april 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D. van der Wal, advocaat te Buitenpost, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 maart 2011. Voor appellant is mr. Van der Wal verschenen. Het College heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Appellant ontving sinds 1 november 2003 bijstand naar de norm voor een alleenstaande met een toeslag van 10% wegens inwoning bij zijn ouders, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Op 22 augustus 2007 heeft de ex-vriendin van appellant aangifte gedaan van stalking en poging tot brandstichting door appellant. In verband daarmee zijn appellant als verdachte en zijn ex-vriendin (hierna: [A.]) en zijn moeder (hierna: [t. H.]) als getuigen door de politie verhoord. De betreffende verklaringen zijn in een proces-verbaal neergelegd. Daarnaast zijn appellant, [t. H.] en [A.] op 9, 10 en 11 oktober 2007 gehoord door twee sociaal rechercheurs van de Sociale Recherche Fryslân (hierna: sociale recherche). Ook daarvan is proces-verbaal opgemaakt.

1.2. Bij besluit van 17 september 2007 heeft het College de bijstand van appellant met ingang van 1 augustus 2007 ingetrokken. Bij besluit van 29 oktober 2007 is dat besluit weer ingetrokken. Daarbij is tevens bepaald dat de bijstand van appellant met ingang van 1 december 2003 wordt ingetrokken en dat de kosten van bijstand over de periode van

1 december 2003 tot 1 augustus 2007 tot een bedrag van € 39.238,33 van hem worden teruggevorderd. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellant tijdens voornoemde periode, anders dan hij heeft opgegeven, niet zijn feitelijk woonadres had op het adres van zijn ouders aan de [adres 1] te [woonplaats]. Aldus zou volgens het College het recht op bijstand van appellant niet zijn vast te stellen. Bij besluit van 25 februari 2008 heeft het College vervolgens de besluiten van 17 september 2007 (nogmaals) en van 29 oktober 2007 ingetrokken. Daarbij heeft het College de periode van intrekking van de bijstand gehandhaafd onder wijziging van de motivering in die zin dat appellant heeft verzwegen dat hij van 1 december 2003 tot 1 april 2007 een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met [A.] op een woonboot gelegen aan de [naam haven] te [woonplaats], terwijl van 1 april 2007 tot 1 augustus 2007 niet bekend was of appellant in de gemeente [gemeente] verbleef en waar hij zijn hoofdverblijf had. Het terug te vorderen bedrag is daarbij vastgesteld op € 39.743,08. Ten slotte heeft het College bij besluit van 3 april 2008 meegedeeld dat het besluit van 25 februari 2008 weer wordt ingetrokken en daarbij aangegeven dat het besluit van 29 oktober 2007 volledig van kracht blijft.

1.4. Bij besluit van 15 april 2008 heeft het College de bezwaren van appellant ongegrond verklaard en de verzoeken om vergoeding van de kosten in bezwaar afgewezen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover van belang, de beroepen van appellant tegen het uitblijven van besluiten op de bezwaarschriften van respectievelijk [nummer] maart 2008 en 7 april 2008 niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het besluit van 15 april 2008 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft ten aanzien van dat laatste geoordeeld dat een toereikende grondslag aanwezig is voor de conclusie dat appellant gedurende de gehele in geding zijnde periode zijn woonverblijf niet had op het adres van zijn ouders aan de [adres 1]. De rechtbank heeft in dat verband onder meer het volgende overwogen (waarbij met verweerder op het College wordt gedoeld en met eiser op appellant):

“ (…) De rechtbank acht van belang dat eiser tegenover de politie heeft verklaard dat hij samen met ([A.]) de woonark heeft gekocht op de [naam haven] [nummer] en dat zij zo’n drie jaar hebben samengewoond. [A.] heeft tegenover de Sociale Recherche verklaard dat zij op 2 oktober 2003 een woonboot heeft gekocht en dat [J] (eiser) na een maand bij haar kwam inwonen. De relatie is vanaf april 2007 beëindigd. De reden hiervan was dat eiser regelmatig een maand of langer weg was en dan een andere vriendin had. [t. H.] heeft tegenover de Sociale Recherche verklaard dat eiser een beetje een zwerver is en van de ene naar de andere vriendin gaat. Eiser stond wel bij hun ingeschreven, maar feitelijk verbleef hij daar niet. Hij gebruikte het adres van zijn ouders als postadres en dat doet hij nog steeds. Hij heeft ook geen sleutel van het ouderlijk huis en hij betaalt ook niets. Na de [adres 3] heeft hij drie weken daadwerkelijk bij hun ingewoond. Daarna is hij naar [gemeente] gegaan, maar ook maar een aantal weken. De rechtbank overweegt dat op grond van deze verklaringen aannemelijk is geworden dat eiser gedurende de periode in geding bij [A.] verbleef of elders, maar niet bij zijn ouders. Op basis van de verklaring van [t. H.] is aannemelijk dat eiser vanaf 1 april 2007 (ook) niet op het adres van zijn ouders verbleef.

3. In hoger beroep heeft appellant - samengevat - aangevoerd dat hij ten tijde in geding wel zijn hoofdverblijf had op het adres van zijn ouders, dat de afgelegde verklaringen onvoldoende grondslag bieden voor een andersluidende conclusie en dat vanwege de onnavolgbare wijze van besluitvorming ten minste een vergoeding voor de kosten van bezwaar in de diverse procedures op zijn plaats is.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt eerst vast dat thans tussen partijen uitsluitend nog in geding is of het College de bijstand van appellant terecht met ingang van 1 december 2003 heeft ingetrokken en de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 1 december 2003 tot en met 31 juli 2007 tot een bedrag van € 39.238,33 van hem heeft teruggevorderd. Daarnaast stelt appellant zich op het standpunt dat hem ten onrechte geen vergoeding voor de kosten van de bezwaarprocedures is toegekend.

4.2. De Raad stelt voorop dat ten aanzien van de intrekking ter beoordeling voorligt de periode van 1 december 2003 tot en met 29 oktober 2007 (de datum van het uiteindelijk gehandhaafde intrekkingsbesluit).

4.3. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank, en de overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd, dat appellant ten tijde in geding zijn feitelijk woonadres niet had op het adres van zijn ouders aan de [adres 1]. Ook naar het oordeel van de Raad bieden de onder 1.1 en 2 bedoelde verklaringen, tezamen en in onderlinge samenhang bezien, daarvoor een toereikende grondslag. Daarin ligt besloten dat de Raad het standpunt van appellant dat het onderzoek onvolledig zou zijn geweest niet deelt. De Raad merkt daarbij nog op dat het afleggen van een huisbezoek en het uitvoeren van observaties, in een situatie als deze waarbij het een afgesloten periode in het verleden betreft, overigens ook niet in de rede liggen. Hetgeen door appellant nog is opgemerkt ten aanzien van de niet aan [t. H.] gegeven cautie kan de Raad reeds hierom niet volgen omdat [t. H.] geen verdachte in strafrechtelijke zin was. Wat het gestelde, niet wijzen op dan wel het niet gebruik maken van het verschoningsrecht van [t. H.] betreft, volgt de Raad appellant evenmin. Het gaat hier immers niet om een strafrechtelijk verhoor maar om een verhoor in het kader van de vraag of sprake was van rechtmatig aan appellant verleende bijstand. Naar het oordeel van de Raad druist het niet in tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verlangd om - in het kader van de vraag waar een bijstandontvanger zijn woonadres heeft - juist de hoofdbewoner van het door betrokkene opgegeven adres, ook al is dat een familielid, te bevragen over de feitelijke woonsituatie. De Raad ziet dan ook niet in dat de verklaringen van [t. H.] ter zake buiten beschouwing zouden moeten worden gelaten.

4.4. De Raad stelt voorts vast dat appellant, in strijd met de wettelijke inlichtingenverplichting, geen melding heeft gemaakt bij het College van het feit dat hij ten tijde in geding niet bij zijn ouders maar elders zijn feitelijk woonadres heeft gehad. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat het College bevoegd was tot intrekking van de bijstand van appellant en de daarmee verband houdende terugvordering. De uitoefening van die bevoegdheden is in hoger beroep niet afzonderlijk bestreden.

4.5. De Raad is voorts met appellant van oordeel dat hem ten onrechte een vergoeding voor de kosten in bezwaar is onthouden in de procedure waarbij op 14 maart 2008 bezwaar is gemaakt tegen het besluit van 25 februari 2008. Dat laatste besluit is weliswaar later weer bij besluit van 3 april 2008 ingetrokken, maar dat laat onverlet dat daartegen destijds - reeds omdat het later niet is gehandhaafd - terecht bezwaar is gemaakt. De Raad laat dan nog daar dat in het besluit van 25 februari 2008 niet alleen een andere juridische grondslag is gehanteerd dan in het besluit van 29 oktober 2007 (waarvan later weer is teruggekomen) maar ook dat het teruggevorderde bedrag in het besluit van 25 februari 2008 op een hoger bedrag was bepaald dan in het besluit van 29 oktober 2008 (en wel op € 39.743,08 in plaats van op € 39.238,33). De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak in zoverre dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad bepalen dat appellant alsnog € 322,-- toekomt als vergoeding voor het indienen van een bezwaarschrift op 14 maart 2008. Dat hetzelfde evenzeer zou opgaan voor het bezwaar van 7 april 2008 tegen het besluit van 3 april 2008 kan de Raad niet volgen. Immers bij dat laatste besluit is, zoals de rechtbank met juistheid heeft geoordeeld, ondubbelzinnig overwogen dat het besluit van 29 oktober 2007 onverkort van kracht blijft, terwijl niet valt in te zien dat het College daartoe niet bevoegd zou zijn.

5. De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep wegens verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, behoudens voor zover daarbij geen vergoeding voor de kosten in bezwaar is toegekend;

Vernietigt het besluit van 15 april 2008 in zoverre;

Bepaalt dat appellant een vergoeding voor de kosten in bezwaar toekomt van € 322,--, te betalen door het College;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag van € 1.288,--;

Bepaalt dat het College aan appellant het door hem in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 149,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en J.M.A. van der Kolk-Severijns en H.D. Stout als leden, in tegenwoordigheid van B. Bekkers als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 april 2011.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) B. Bekkers.

IJ