Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ4147

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-05-2011
Datum publicatie
12-05-2011
Zaaknummer
11-1824 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Weigering bijstandsuitkering. Onvoldoende duidelijkheid omtrent verblijfplaats. Schending inlichtingenverplichting. Niet voldaan aan voorwaarden adreslozen. Van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht is geen sprake, aangezien verzoeker niet eerder een vergelijkbare zaak bij de Raad aanhangig heeft gemaakt. De enkele omstandigheid dat andere rechtssubjecten eerder geen succes behaalden met een rechtsmiddel tegen een vergelijkbaar besluit op vergelijkbare gronden, maakt de aanwending van het rechtsmiddel van verzoeker niet onredelijk. Kortsluiting. Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2011/205
JWWB 2011/179
USZ 2011/201
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/1824 WWB

11/1861 WWB-VV

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

U I T S P R A A K

als bedoeld in de artikelen 8:84, tweede lid, en 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet naar aanleiding van het verzoek om voorlopige voorziening van:

[Verzoeker],

in verband met het hoger beroep van:

verzoeker

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 10 februari 2011, 10/3359 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

verzoeker

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: het College)

Datum uitspraak: 3 mei 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens verzoeker heeft mr. W.L.C. Rijk, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Namens verzoeker heeft mr. Rijk eveneens een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 19 april 2011, waar partijen, zoals tevoren bericht, niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 21 van de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningen-rechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

1.2. Ingevolge artikel 8:86 van de Awb en artikel 21 van de Beroepswet kan de voorzieningenrechter, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak, tevens onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

1.3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak en dat ook overigens geen sprake is van beletselen om tevens onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

2.1. Verzoeker is een meerderjarige vreemdeling van gestelde Chinese nationaliteit. Hij is niet eerder in Nederland toegelaten en heeft op 28 september 2009 een aanvraag gedaan om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000 onder de beperking “verblijf als vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken”. Verzoeker stelt in verband met het ontbreken van identiteitsbewijzen en/of reisdocumenten vooralsnog niet naar China terug te kunnen keren, omdat hij daar zonder geldige reispapieren niet wordt toegelaten.

2.2. Bij brief van 27 november 2009 aan de afdeling Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de gemeente Rotterdam heeft mr. K.R. Verkaart, advocaat van het kantoor waar mr. Rijk werkzaam is, namens verzoeker een aanvraag gedaan om bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

2.3. Bij besluit van 31 maart 2010 heeft het College die aanvraag afgewezen.

2.4. Bij besluit van 9 juli 2010 heeft het College de bezwaren tegen het besluit van 31 maart 2010 ongegrond verklaard. Daarbij heeft het College zich op het standpunt gesteld dat verzoeker heeft nagelaten duidelijkheid te verschaffen over zijn woonsituatie, zodat hij niet heeft voldaan aan de op hem rustende wettelijke inlichtingenverplichting. Als gevolg hiervan kan het recht op bijstand van verzoeker niet worden vastgesteld, aldus het College.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van verzoeker tegen het besluit van 9 juli 2010 ongegrond verklaard.

4. Verzoeker heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.

5. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling, waarbij hij voor de tekst van de relevante wettelijke bepalingen verwijst naar de aangevallen uitspraak.

5.1. De voorzieningenrechter stelt eerst vast dat hier ter beoordeling voorligt de periode van 27 november 2009, de datum van de aanvraag, tot en met 31 maart 2010, de datum waarop het primaire besluit is genomen.

5.2. Voorts stelt de voorzieningenrechter vast dat tussen partijen niet in geschil is dat verzoeker zijn feitelijke verblijfplaats in de hier te beoordelen periode niet heeft willen prijsgeven. Als reden hiervoor is aangegeven dat verzoeker als hier te lande verblijvende illegale Chinees vreest dat hij op aangeven van de gemeente Rotterdam door de vreemdelingenpolitie zal worden staande gehouden en in bewaring gesteld, zodra hij zijn feitelijke woonadres eenmaal bekend heeft gemaakt.

5.3. Verzoeker heeft geen adres opgegeven, zodat ook niet bekend is of hij feitelijk wel in Rotterdam verblijft. De gemachtigde van verzoeker heeft geen uitsluitsel kunnen of willen geven omtrent het woonadres van verzoeker.

5.4. Volgens vaste rechtspraak van de Raad is iemand die aanspraak maakt op bijstand verplicht juiste en volledige informatie te verstrekken over zijn woonadres, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de verlening van bijstand. Het woonadres is met name van belang om de woon- en leefsituatie van de betrokkene en derhalve het recht op en de hoogte van de bijstand te kunnen vaststellen. Het niet verstrekken van een woonadres leidt dan ook tot schending van de inlichtingenverplichting, met als gevolg dat, behoudens uitzonderlijke situaties, niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in welke mate, betrokkene recht op bijstand heeft.

5.5. De voorzieningenrechter ziet in de door verzoeker aangevoerde omstandigheden niet een uitzonderlijke situatie als onder 5.4 bedoeld. De voorzieningenrechter komt in dit geval dan ook niet tot een ander oordeel dan in zijn uitspraak van 25 mei 2010, LJN BM7000, en volstaat met verwijzing naar hetgeen hieromtrent in die uitspraak is overwogen.

5.6. Uit het onder 5.1 tot en met 5.5 overwogene volgt dat de voorzieningenrechter met de rechtbank van oordeel is dat verzoeker de inlichtingenverplichting niet is nagekomen en dat als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of hij recht op bijstand heeft, zodat zijn aanvraag om bijstand terecht door het College is afgewezen.

5.7. Voorts heeft verzoeker in hoger beroep nog naar voren gebracht dat het College de aanvraag van verzoeker niet had mogen afwijzen nu de gemeente Rotterdam wordt genoemd in het Besluit WWB 2007 als gemeente waar adreslozen een uitkering kunnen krijgen. De Raad verwerpt deze grond, reeds omdat niet is gebleken dat verzoeker voldoet aan de voorwaarden die gelden ten aanzien van belanghebbenden zonder adres, als bedoeld in artikel 40, eerste en tweede lid, van de WWB, in samenhang met artikel 10 van het Besluit WWB 2007 en artikel 1 van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, die jegens de gemeente Rotterdam een aanspraak op bijstand hebben. Daarbij is doorslaggevend dat omtrent de feitelijke verblijfplaats van verzoeker in de periode in geding niets aannemelijk is gemaakt.

5.8. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.9. Onder deze omstandigheden is geen grond aanwezig voor het treffen van een voorlopige voorziening.

6.1. Het College heeft de Raad verzocht verzoeker te veroordelen in de proceskosten van het College op de grond dat sprake is van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht. Het College voert aan dat de gemachtigde van verzoeker, dan wel kantoorgenoten van die gemachtigde, in talrijke vergelijkbare zaken op dezelfde gronden hoger beroep blijven instellen, hoewel de aangevoerde gronden, gelet op uitspraken van de (voorzieningenrechter van de) Raad in vergelijkbare zaken, geen kans van slagen hebben.

6.2. De voorzieningenrechter wijst dit verzoek niet toe, reeds omdat de onderhavige procedure namens verzoeker wordt gevoerd en verzoeker niet eerder een vergelijkbare zaak bij de Raad aanhangig heeft gemaakt. De enkele omstandigheid dat andere rechtssubjecten eerder geen succes behaalden met een rechtsmiddel tegen een vergelijkbaar besluit op vergelijkbare gronden, maakt de aanwending van het rechtsmiddel van verzoeker niet onredelijk. Van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht kan in het geval van verzoeker dan ook geen sprake zijn.

6.3. Ook overigens ziet de voorzieningenrechter voor een veroordeling in de proceskosten geen aanleiding.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

in de hoofdzaak:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

op het verzoek om voorlopige voorziening:

Wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 mei 2011.

(get.) O.L.H.W.I. Korte.

(get.) K. Moaddine.

HD