Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ4145

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-05-2011
Datum publicatie
12-05-2011
Zaaknummer
11/644 APPA + 11/2018 APPA-VV
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Vaststellen betalingsregeling. Hoewel de voorzieningenrechter begrip kan opbrengen voor het standpunt van het college dat onterecht uitgekeerd gemeenschapsgeld zo spoedig mogelijk terug moet komen, heeft het college de voorzieningenrechter er niet van kunnen overtuigen dat er een snellere weg is dan het door verzoeker op 17 januari 2011 gedane voorstel. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college hierbij de belangen van verzoeker onvoldoende in ogenschouw heeft genomen. Het besluit van 3 februari 2011 is genomen in strijd met artikel 3:4 van de Awb en kan om die reden niet in stand blijven. De voorzieningenrechter zal zelf in de zaak voorzien. Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BA 2011/126
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/644 APPA en 11/2018 APPA-VV

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

U I T S P R A A K

als bedoeld in de artikelen 8:84, tweede lid, en 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 17 van de Beroepswet op het verzoek om voorlopige voorziening van:

[Verzoeker], wonende te [woonplaats] (hierna: verzoeker),

in verband met het beroep van:

verzoeker

in een geding tussen:

verzoeker

en

het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Steenbergen (hierna: college)

Datum uitspraak: 9 mei 2011

I. PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen een besluit van het college van 14 december 2010.

Verzoeker heeft tevens een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 mei 2011. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door mr. R.H.A. Wessel, advocaat te ’s-Gravenhage. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M.W.H. Leloux en [E.], beiden werkzaam bij de gemeente Steenbergen.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Na beëindiging van zijn wethouderschap is verzoeker over de periode 15 december 2005 tot en met 14 december 2011 een uitkering toegekend op grond van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (Appa). Vanaf 2006 werden op deze uitkering door verzoeker genoten inkomsten in mindering gebracht. Uit de door verzoeker in het voorjaar van 2010 overgelegde inkomensgegevens is gebleken dat verzoeker over de jaren 2008 en 2009 te veel wachtgeld heeft ontvangen.

1.2. Bij besluit van 21 juni 2010, nadien gewijzigd bij besluit van 28 juli 2010, heeft het college het over 2009 teveel aan verzoeker uitbetaalde wachtgeld tot een bedrag van € 45.714,48 bruto van verzoeker teruggevorderd en daarbij bepaald dat dit bedrag binnen zes weken na 28 juli 2010 dient te zijn betaald.

Verzoeker, die de hoogte van de terugvordering niet betwist, heeft in bezwaar aangevoerd dit bedrag niet ineens te kunnen terugbetalen en het college verzocht een betalingsregeling te treffen.

Bij het bestreden besluit op bezwaar van 14 december 2010 heeft het college geweigerd een betalingsregeling te treffen en bepaald dat het bedrag binnen zes weken na ontvangst van het besluit dient te zijn betaald.

1.3. Bij brief van 30 december 2010 heeft het college verzoeker medegedeeld dat de over 2008 teveel ontvangen uitkering, zijnde een bedrag van € 7.480,32 bruto, binnen zes weken na ontvangst van die brief dient te worden terugbetaald.

1.4. Bij brief van 17 januari 2011 heeft verzoeker het college een (nieuw) betalingsvoorstel gedaan, inhoudende dat verzoeker, naast de wachtgeldtermijnen die vanaf mei 2010 al worden aangewend ter aflossing van zijn schuld, vanaf februari 2011 maandelijks een (van de belastingdienst terug te ontvangen) bedrag van circa € 2.000,- extra afbetaalt. Daarnaast meldt verzoeker te trachten een lening te verkrijgen voor het doen van een extra aflossing ineens van € 13.000,-. Op deze manier zou de gehele vordering eind december 2011 zijn voldaan.

1.5. Op 24 januari 2011 heeft verzoeker bij de Raad beroep ingesteld tegen het besluit van 14 december 2010. Verzoeker voert daarbij aan dat het college ten onrechte weigert in te gaan op redelijke voorstellen voor een betalingsregeling.

1.6. Bij besluit van 3 februari 2011 is het college akkoord gegaan met de door verzoeker voorgestelde extra aflossing in termijnen, maar daaraan de voorwaarde verbonden dat vóór 1 maart 2011 een bedrag van € 26.000,- ineens wordt terugbetaald. Ook met dit besluit kan verzoeker zich niet verenigen.

1.7. Op 10 maart 2011 heeft het college bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Breda een verzoek ingediend tot het leggen van conservatoir derdenbeslag bij de werkgever van verzoeker. Het college heeft daarbij aangevoerd van mening te zijn dat het redelijkerwijs niet gehouden is in te stemmen met de door verzoeker voorgestelde betalingsregeling.

1.8. Het onderhavige verzoek om een voorlopige voorziening strekt ertoe de werking van de door het college genomen besluiten te schorsen, dan wel een zodanige voorziening te treffen dat het college geen gebruik zal kunnen maken van een eventueel verkregen toestemming tot het leggen van conservatoir derdenbeslag, in elk geval niet zolang er nog niet op het beroep is beslist.

2. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

2.1. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 17 van de Beroepswet kan, indien tegen een besluit beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Ingevolge artikel 8:86 van de Awb en artikel 17 van de Beroepswet kan de voorzieningenrechter, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de behandeling van de hoofdzaak en indien partijen daarvoor toestemming hebben gegeven, tevens onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

2.2. De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak en zal, nu partijen daarvoor toestemming hebben gegeven, tevens onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

2.3. Het besluit van 3 februari 2011 bevat een wijziging van het besluit van 14 december 2010, zodat het beroep van verzoeker, nu daarmee niet geheel aan het beroep wordt tegemoet gekomen, geacht wordt mede te zijn gericht tegen het besluit van 3 februari 2011. Nu het college het besluit van 14 december 2010 niet langer handhaaft, komt dit besluit reeds om die reden voor vernietiging in aanmerking.

2.4. De vraag die partijen verdeeld houdt is of de door het college vastgestelde betalingsregeling zoals neergelegd in het besluit van 3 februari 2011, in rechte stand kan houden.

De voorzieningenrechter beantwoordt die vraag ontkennend. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoeker in zijn brief van 17 januari 2011, de door verzoeker geschetste financiële situatie en mogelijkheden in aanmerking nemende, een vergaand aanbod gedaan. Het is verzoeker daadwerkelijk gelukt een lening van € 13.000,- te verkrijgen, welk bedrag op 1 maart 2011 aan het college is betaald. Op dat tijdstip resteerde er nog een schuld van ruim € 31.000,-. Het college heeft niet betwist dat verzoekers voorstel inhield dat de schuld eind 2011 zou zijn afbetaald.

2.5. Hoewel de voorzieningenrechter begrip kan opbrengen voor het standpunt van het college dat onterecht uitgekeerd gemeenschapsgeld zo spoedig mogelijk terug moet komen, heeft het college de voorzieningenrechter er niet van kunnen overtuigen dat er een snellere weg is dan het door verzoeker op 17 januari 2011 gedane voorstel. Conform dit voorstel lost verzoeker maandelijks ruim € 2.000,- extra af. Verder heeft verzoeker al een dienstverband van 40 uur per week zodat zijn verdiencapaciteit (en daarmee korting op zijn Appa-uitkering) al wordt gerealiseerd.

Verzoeker heeft zich ook bereid verklaard zijn vorderingen op de belastingdienst en het college (ter zake van het wachtgeld) te cederen. Hiertoe heeft verzoekers gemachtigde twee akten van cessie opgesteld, welke onderdeel uitmaken van een concept- vaststellingsovereenkomst, waarin de betalingsregeling is neergelegd. Desondanks moet de voorzieningenrechter concluderen dat voor het college een regeling waarbij, behalve de maandelijkse aflossingen, vóór 1 september 2011 niet ook een bedrag van € 13.000,- wordt betaald (zijnde het restant van het in het besluit van 3 februari 2011 genoemde bedrag), onbespreekbaar is.

2.6. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college hierbij de belangen van verzoeker onvoldoende in ogenschouw heeft genomen. Verzoeker heeft, onder overlegging van stukken, aangevoerd dat een lening van € 13.000,- destijds voor hem het maximum haalbare was en dat hij nu onmogelijk nogmaals een dergelijk bedrag kan lenen. Het college heeft dit niet weersproken. Anders dan het college ter zitting heeft gesuggereerd, acht de voorzieningenrechter het evenmin aannemelijk dat verzoeker anderszins over een dergelijk bedrag zou kunnen beschikken.

2.7. Uit het vorenstaande volgt dat het besluit van 3 februari 2011 genomen is in strijd met artikel 3:4 van de Awb en om die reden niet in stand kan blijven. De voorzieningenrechter ziet voorts aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien. De voorzieningenrechter zal het bezwaar gegrond verklaren en de betalingsregeling vaststellen conform de concept-vaststellings-overeenkomst (met bijlagen), zoals ingezonden door verzoekers gemachtigde op 29 april 2011.

3. Gelet op het vorenstaande is er geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening. Dit verzoek wijst de voorzieningenrechter dan ook af.

4. De voorzieningenrechter ziet tot slot aanleiding het college op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van verzoeker, begroot op € 437,- aan kosten van rechtsbijstand betreffende het beroep en € 874,- aan kosten van rechtsbijstand betreffende het verzoek om een voorlopige voorziening, in totaal € 1.311,-.

Het verzoek om vergoeding van de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar wijst de voorzieningenrechter af, nu het verzoek daartoe niet tijdig is gedaan.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt de bestreden besluiten van 14 december 2010 en 3 februari 2011;

Verklaart het bezwaar gegrond en stelt de betalingsregeling vast conform de concept- vaststellingsovereenkomst en de daarbij behorende bijlagen;

Bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde besluiten;

Veroordeelt het college in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van in totaal € 1.311,-;

Bepaalt dat het college aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht van in totaal € 300,- vergoedt;

Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht af.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.J.M. Crombach als griffier, uitgesproken in het openbaar op 9 mei 2011.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) P.J.M. Crombach.

HD