Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ4114

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-05-2011
Datum publicatie
12-05-2011
Zaaknummer
09-2160 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Disciplinaire straf van ontslag wegens het herhaaldelijk en op ontoelaatbare wijze uiten van beschuldigingen zonder dat deze beschuldigingen zijn onderbouwd en het herhaaldelijk niet verschijnen bij de bedrijfsarts. Uit gegevens omtrent de psychische gesteldheid van appellant kan niet worden afgeleid dat het plichtsverzuim appellant niet kan worden toegerekend. De straf van onvoorwaardelijk ontslag is niet onevenredig te achten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/2160 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 13 maart 2009, 07/4243 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rozenburg, thans het Dagelijks bestuur van de deelgemeente Rozenburg (hierna: dagelijks bestuur)

Datum uitspraak: 4 mei 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 maart 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door J. Peper, maatschappelijk werker te Rotterdam. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. van Zanten, advocaat te Leiden.

II. OVERWEGINGEN

1. Hierna wordt onder het dagelijks bestuur mede verstaan het College van burgemeester en wethouders van de toenmalige gemeente Rozenburg.

2. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

2.1. Appellant was werkzaam bij de toenmalige gemeente Rozenburg als beleidsmedewerker [afdeling]. Op 20 oktober 2004 heeft hij zich ziek gemeld wegens spanningsklachten. Tijdens begin 2005 gevoerde gesprekken met zijn afdelingshoofd en een andere leidinggevende heeft appellant naar voren gebracht dat zijn afdelingshoofd in het kader van een bezwaarprocedure ontoelaatbaar heeft gehandeld, met als gevolg dat de betrokken bezwaarde is benadeeld. Het afdelingshoofd heeft dit ontkend. Nadien is appellant diverse malen op deze kwestie teruggekomen. Op 13 september 2005 is appellant door de bedrijfsarts arbeidsgeschikt geacht. Na een nieuwe ziekmelding per 10 oktober 2005 is appellant door de bedrijfsarts op 23 december 2005 arbeidsgeschikt geacht. Hij heeft echter zijn werkzaamheden niet hervat. Op 11 juli 2006 heeft het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) een deskundigenoordeel uitgebracht, inhoudende dat appellant op 3 mei 2006 geschikt was om zijn werkzaamheden te verrichten. Over de periode 11 juli 2006 tot 24 juli 2006 is het dagelijks bestuur overgegaan tot inhouding van de bezoldiging van appellant wegens ongeoorloofd verzuim. Op 24 juli 2006 heeft appellant zijn werkzaamheden hervat. Bij brief van 7 september 2006 heeft het dagelijks bestuur aan appellant meegedeeld dat hij herhaaldelijk beschuldigingen heeft geuit tegen medewerkers van de gemeente, zonder deze beschuldigingen te onderbouwen of mee te werken aan een oplossing; appellant is verzocht om voor 13 oktober 2006 alsnog de beschuldigingen te onderbouwen. Hij heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt en heeft zich per 16 oktober 2006 opnieuw ziek gemeld. Vervolgens is appellant herhaaldelijk niet verschenen op het spreekuur van de bedrijfsarts.

2.2. Bij brief van 13 februari 2007 heeft het dagelijks bestuur aan appellant het voornemen kenbaar gemaakt om hem de disciplinaire straf van ontslag op te leggen wegens, kort gezegd, het herhaaldelijk en op ontoelaatbare wijze uiten van beschuldigingen zonder dat deze beschuldigingen zijn onderbouwd en het herhaaldelijk niet verschijnen bij de bedrijfsarts. Vervolgens heeft het dagelijks bestuur appellant bij besluit van 13 maart 2007 met ingang van 15 maart 2007 strafontslag verleend. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het dagelijks bestuur bij besluit van 10 oktober 2007 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard.

3. Bij de aangevallen uitspraak is het door appellant tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

4. Naar aanleiding van hetgeen door partijen in hoger beroep is aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

4.1. De Raad stelt vast dat appellant niet langer bestrijdt dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het hem verweten plichtsverzuim en dat het geschil in hoger beroep zich toespitst op de vraag of de desbetreffende gedragingen aan appellant kunnen worden toegerekend.

4.2. Appellant meent dat hij ernstige psychische klachten had die door het dagelijks bestuur niet tijdig zijn onderkend en niet op de juiste waarde zijn geschat. Daarbij heeft hij verwezen naar verklaringen van zijn behandelend psychiater van 19 april 2007 en 6 januari 2011.

4.3. De bedrijfsarts heeft op 2 maart 2007 gerapporteerd dat, afgaande op de diverse spreekuurcontacten en de door de behandelend psychiater begin december 2006 verstrekte informatie, het handelen van appellant hem kan worden toegerekend. In het medisch rapport dat ten grondslag ligt aan het onder 2.1 vermelde deskundigenoordeel van het Uwv, is vermeld dat bij onderzoek van de psychische gesteldheid van appellant op 2 juni 2006 normale bevindingen zijn vastgesteld en dat de klachten van appellant niet kunnen worden herleid tot ziekte. Tegen deze achtergrond deelt de Raad het oordeel van de rechtbank dat op basis van de summiere en in algemene bewoordingen gestelde verklaring van de behandelend psychiater van 19 april 2007 niet kan worden vastgesteld dat de desbetreffende gedragingen appellant niet of in verminderde mate zijn toe te rekenen. In de bezwaarschriftprocedure heeft het dagelijks bestuur door de bedrijfsarts aan de behandelend psychiater een aantal vragen laten voorleggen om te kunnen beoordelen in hoeverre de gedragingen zijn toe te schrijven aan een psychisch defect. Omdat appellant geen toestemming heeft verleend voor het verstrekken van aanvullende informatie, heeft de behandelend psychiater deze vragen niet kunnen beantwoorden. Naar het oordeel van de Raad kan (ook) uit de in hoger beroep overgelegde korte aanvullende verklaring van de behandelend psychiater van

6 januari 2011 niet worden afgeleid dat het plichtsverzuim appellant niet kan worden toegerekend. Het dagelijks bestuur was dan ook bevoegd tot het opleggen van een disciplinaire straf.

4.3. De Raad deelt tot slot het oordeel van de rechtbank dat de aan appellant verweten gedragingen, gezien de aard en ernst ervan, tezamen een zodanig ernstig plichtsverzuim opleveren dat de straf van onvoorwaardelijk ontslag daaraan niet onevenredig is te achten.

5. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep geen doel treft en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en K.J. Kraan en A.A.M. Mollee als leden, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2011.

(get.) J.G. Treffers

(get.) K. Moaddine