Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ4094

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-05-2011
Datum publicatie
11-05-2011
Zaaknummer
10-347 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling beoordeling. De korpsbeheerder heeft de drie negatieve scores met voldoende concrete feiten onderbouwd, zodat niet gezegd kan worden dat deze op onvoldoende gronden berusten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/347 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 8 december 2009, 08/4159 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Korpsbeheerder van de politieregio [naam regio] (hierna: korpsbeheerder)

Datum uitspraak: 4 mei 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De korpsbeheerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 maart 2011. Appellant is, zoals was aangekondigd, niet verschenen. De korpsbeheerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Y. Kuijt, werkzaam bij de politieregio [naam regio] (hierna: politieregio).

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een meer uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Appellant was werkzaam als specialist bij het Bureau Opsporing District 4 van de politieregio. In het kader van een functioneringstraject is hij vanaf 15 januari 2007 voor een periode van zes maanden geplaatst bij de Dienst Regionale Recherche in de functie van generalist tactische recherche.

1.2. Omtrent appellant is over het tijdvak van 17 januari 2007 tot en met 2 juli 2007 een beoordeling opgemaakt. Daarbij werd het functioneren van appellant op drie onderdelen, te weten planning, snelheid van begrip en zelfkritisch vermogen, als matig (B-score) beoordeeld. Bij besluit van 24 augustus 2007, aan appellant bekendgemaakt op

22 april 2008, is de beoordeling ongewijzigd vastgesteld.

1.3. De korpsbeheerder heeft het door appellant tegen de beoordeling gemaakte bezwaar bij besluit van 11 september 2008 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak, waarin de rechtbank abusievelijk de Korpschef in plaats van de Korpsbeheerder als verwerende partij heeft genoemd, heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1. Namens appellant zijn in hoger beroep, kort samengevat, de volgende grieven aangevoerd. Het beoordelingstijdvak is veel te kort geweest om te komen tot een evenwichtig oordeel omtrent het functioneren van appellant. Voorts schiet de motivering van de B-scores tekort. Bovendien blijkt uit uitlatingen van zijn leidinggevende tijdens de hoorzitting dat de beoordeling een negatievere lading heeft dan uit de drie B-scores in het primaire besluit valt op te maken; daarmee zou de korpsbeheerder ten onrechte op het primaire besluit zijn teruggekomen.

3.2. De korpsbeheerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd en bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. Gelet op hetgeen partijen hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.

4.1. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het beoordelingstijdvak van een half jaar toereikend moet worden geacht om de werkzaamheden van appellant in de detacheringsperiode te beoordelen. De Raad merkt hierbij nog op, dat appellant niet door de beoordeling kan zijn overvallen. Hij wist tevoren dat na een half jaar een beoordeling plaats zou vinden. Bovendien heeft in de beoordelingsperiode driemaal een voortgangsgesprek plaatsgevonden, waarbij appellant onder meer op zijn werktempo is aangesproken.

4.2. Wat betreft de inhoud van de beoordeling stelt de Raad voorop dat de rechtbank in rechtsoverweging 2.6 van de aangevallen uitspraak, verwijzend naar vaste rechtspraak van de Raad, het juiste toetsingskader heeft gehanteerd.

4.3. De Raad onderschrijft voorts het oordeel van de rechtbank, dat de korpsbeheerder de drie negatieve scores met voldoende concrete feiten heeft onderbouwd, zodat niet gezegd kan worden dat deze op onvoldoende gronden berusten. De grief van appellant dat tijdens zijn vakantie dossiers bij hem zijn weggehaald die hij reeds bijna afhad, kan niet afdoen aan de juistheid van het oordeel dat appellant er niet in slaagde de hem toegewezen dossiers tijdig af te hebben. De Raad acht dit gegeven, tezamen met het gegeven dat appellant vrij nam op momenten dat professioneel van hem verwacht mocht worden dat hij bleef werken tot de dossiers afgerond waren, voldoende onderbouwing voor de op het onderdeel planning gegeven B-score. Naar aanleiding van de grief van appellant dat ook bij een tweetal andere rechercheurs dossiers zijn weggehaald zonder dat dit tot een B-score heeft geleid, overweegt de Raad dat ter zitting voldoende is toegelicht dat dit niet om gelijke gevallen ging, aangezien het hier geen rechercheurs betrof die langzaam en inaccuraat werkten, maar rechercheurs die tussentijds met een ander onderzoek belast werden.

4.4. De Raad heeft geen aanknopingspunten gevonden voor de stelling van appellant, dat de korpsbeheerder in voor appellant ongunstige zin zou zijn teruggekomen op de oorspronkelijke beoordeling. Zoals de korpsbeheerder ter zitting van de Raad naar voren heeft gebracht, zijn in het besluit op bezwaar de scores en de onderbouwing daarvan ongewijzigd gebleven. De Raad wijst er nog op, dat in het door de korpsbeheerder volledig overgenomen advies van de bezwaaradviescommissie wordt vastgesteld, dat het bevoegd gezag op de hoorzitting heeft aangegeven zich niet uitgelaten te hebben over het wel of niet voldoende zijn van de beoordeling. De commissie komt tot de conclusie dat het enige wat hierover gezegd kan worden is, dat indien sprake is van drie B-scores niet gesproken kan worden van een volledig voldoende functioneren, immers op drie punten is een matige score gegeven en geen voldoende score.

4.5. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en K.J. Kraan en A.A.M. Mollee als leden, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2011.

(get.) J.G. Treffers

(get.) K. Moaddine

EW