Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ4091

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-05-2011
Datum publicatie
11-05-2011
Zaaknummer
10-2580 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering ZW-uitkering toe te kennen. De Raad ziet in de aanwezige gedingstukken en hetgeen appellante heeft aangevoerd onvoldoende reden voor twijfel aan het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts en diens conclusie dat er geen reden is om de status van arbeidsgehandicapte toe te kennen voor de datum van de ziekmelding. De Raad neemt hierbij mede in aanmerking dat de bezwaarverzekeringsarts de in het dossier aanwezige informatie van de bedrijfsarts en de orthopeed in zijn beschouwing heeft meegenomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/2580 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 19 maart 2010, 07/3642 en 08/1727 (hierna: aangevallen uitspraak),

in de gedingen tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 4 mei 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. I.G.J. van den Broek, advocaat te Nijmegen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 maart 2011. De zaak is gevoegd behandeld met de zaak onder nummer 10/2581. Appellante is vertegenwoordigd door haar directeur [naam directeur] en bijgestaan door haar gemachtigde mr. Van den Broek.

Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.A. Vermeijden.

Na de zitting is de behandeling gesplitst. In deze zaken wordt thans afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. OVERWEGINGEN

1.1. [Naam werknemer], toenmalig werknemer van appellante (hierna: de werknemer), is op 22 maart 2004 bij appellante in dienst getreden in de functie van servicemonteur. Hij heeft zich op 9 mei 2005 ziek gemeld vanwege klachten aan zijn rechter enkel. Op 28 december 2005 heeft J. Spierings, bedrijfsarts, namens appellante een “aanvraag vaststelling arbeidshandicap” bij het Uwv ingediend voor de werknemer.

1.2. Bij besluit van 31 januari 2006 heeft het Uwv de werknemer voor de duur van vijf jaar aangemerkt als arbeidsgehandicapte in de zin van de (op het moment van de aanvraag toepasselijke) Wet Re-integratie Arbeidsgehandicapten (Wet REA) aangezien gebleken is dat de werknemer problemen heeft om het eigen werk te blijven doen in verband met ziekte of gebrek en omdat zijn mogelijkheden op de arbeidsmarkt beperkt zijn. Tegen dit besluit zijn geen rechtsmiddelen aangewend, zodat het besluit in rechte vaststaat.

1.3. Op 21 maart 2007 heeft appellante een ziekteaangifte gedaan en het Uwv verzocht om aan de werknemer een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) toe te kennen. Bij besluit van 1 oktober 2007 heeft het Uwv geweigerd de werknemer in aanmerking te brengen voor een uitkering aangezien de werknemer niet arbeidsgehandicapt was op het moment van indiensttreding bij appellante. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

1.4. Bij brief van 10 december 2007 heeft het Uwv op verzoek van appellante meegedeeld dat de vaststelling van de status arbeidsgehandicapte in het geval van de werknemer is bepaald op 1 december 2005. Appellante heeft ook hiertegen bezwaar gemaakt.

2. Bij besluit op bezwaar van 7 april 2008 heeft het Uwv beide bezwaren ongegrond verklaard.

3. De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 7 april 2008 gegrond verklaard en dit besluit vernietigd. De rechtbank heeft het bezwaar tegen de brief van 10 december 2007 alsnog niet-ontvankelijk verklaard en voorts aanleiding gezien de rechtsgevolgen van het bestreden besluit, voor zover het betrekking heeft op de weigering de werknemer een ZW-uitkering te verlenen, in stand te laten.

4.1. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat de brief van 10 december 2007 niet kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en verenigt zich met de daartoe door de rechtbank in de rechtsoverwegingen 30 en 31 van de aangevallen uitspraak gegeven overwegingen. De rechtbank heeft terecht het bezwaar gericht tegen de brief van 10 december 2007 alsnog niet-ontvankelijk verklaard. Hetgeen hiertegen in hoger beroep is aangevoerd slaagt derhalve niet.

4.2. De Raad dient thans te beoordelen of het Uwv terecht geweigerd heeft de werknemer in aanmerking te brengen voor een ZW-uitkering. Deze weigering heeft het Uwv in zijn besluit op bezwaar van 7 april 2008 gebaseerd op de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van 3 maart 2008 en berust op de overweging dat zo de werknemer al eerder dan 1 december 2005 de status van arbeidsgehandicapte toegekend zou moeten worden, dan niet eerder dan ingaande 9 mei 2005. In ieder geval niet ingaande een datum voor de indiensttreding. In de rapportage van 17 juni 2008 van verzekeringsarts J.F.P. ten Kortenaar en arbeidsdeskundige G. Toes is bij wijze van nadere motivering van het bestreden besluit nog aangegeven dat de werknemer van 2000 tot aanvang dienstverband bij appellante op 22 maart 2004 nagenoeg onafgebroken heeft gewerkt, waarvan de laatste drie jaar als installatie-c.q servicemonteur. Aan hen was niet bekend dat de werknemer deze functies wegens ziekte of gebrek niet heeft kunnen uitoefenen dan wel aangewezen was op een voorziening voor uitoefening van deze functies. Conform het beslisschema vervat in het ten tijde in geding toepasselijke Arbeidsgehandicaptebesluit (Besluit van 20 juli 1998, Stb 1998, 488) was er volgens Ten Kortenaar en Toes mogelijk sprake van structureel functionele beperkingen, echter gebleken is dat de werknemer in staat was tot het verrichten van de eigen arbeid bij diverse werkgevers. Op grond hiervan zou de werknemer niet in aanmerking komen voor de arbeidsgehandicaptestatus.

5. In hoger beroep heeft appellante - verwijzend naar hetgeen hierover in bezwaar en beroep is aangevoerd - in dit verband aangevoerd dat de enkelklachten waarmee de werknemer op 9 mei 2005 is uitgevallen niet anders waren dan voor indiensttreding bij betrokkene en dat die terug te voeren zijn op het enkelletsel dat de werknemer heeft opgelopen in 2000 toen hij in dienst was bij het Ministerie van Defensie. De werknemer was dan ook voor 22 maart 2004 - de datum van de aanvang van het dienstverband bij appellante - al arbeidsgehandicapt.

6.1. De Raad overweegt als volgt.

6.2. De bezwaarverzekeringsarts is, gesteld voor de vraag of ten tijde van de aanvang van het dienstverband de status arbeidsgehandicapte gold, onder verwijzing naar het in 4.2 vermelde beslisschema van mening dat er geen sprake is van ziekte of gebreken die leiden tot structurele functionele beperkingen nu de werknemer weliswaar klachten had maar met deze klachten begonnen is met een baan. Weliswaar is de werknemer in de verzuimperiode nadien na arbeidskundig onderzoek in december 2005 ongeschikt bevonden voor zijn eigen arbeid, maar wel geschikt voor andere arbeid bij de eigen werkgever. Volgens het beslisschema is er dan geen sprake van een arbeidshandicap. De bezwaarverzekeringsarts stelt vervolgens dat het medisch inhoudelijk achteraf gezien de vraag is of terecht de status arbeidsgehandicapte is toegekend, maar dat, nu deze wel is toegekend, één moment in de tijd aangewezen zou kunnen worden namelijk per datum ziekmelding, 9 mei 2005. De Raad ziet in de aanwezige gedingstukken en hetgeen appellante heeft aangevoerd onvoldoende reden voor twijfel aan het hiervoor weergegeven standpunt van de bezwaarverzekeringsarts en diens conclusie dat er geen reden is om de status van arbeidsgehandicapte toe te kennen voor de datum van evenvermelde ziekmelding. De Raad neemt hierbij mede in aanmerking dat de bezwaarverzekeringsarts de in het dossier aanwezige informatie van de bedrijfsarts en de orthopeed in zijn beschouwing heeft meegenomen. Appellante heeft in hoger beroep geen nieuwe medische informatie overgelegd die een ander licht op de zaak zou kunnen werpen.

6.3. overweging 6.2 leidt de Raad tot de conclusie dat het Uwv terecht heeft geweigerd de werknemer in aanmerking te brengen voor een ZW-uitkering aangezien de werknemer voor de aanvang van het dienstverband op 22 maart 2004 niet was aan te merken als arbeidsgehandicapte.

7. Gelet op overweging 6.3 dient de aangevallen uitspraak, voor zover deze betrekking heeft op het oordeel van de rechtbank over het besluit van 7 april 2008, te worden bevestigd.

8. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover deze betrekking heeft op het oordeel van de rechtbank over het besluit van 7 april 2008.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2011.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) M. Mostert.

KR