Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ3997

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-05-2011
Datum publicatie
11-05-2011
Zaaknummer
10-5416 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om herziening. Het door verzoeker naar voren gebrachte feit dat uit het dossier blijkt dat hij al vanaf 1988 werkzaamheden als dagbladbezorger verrichtte naast fulltime dienstverbanden kan niet kan worden gezien als een feit dat bij hem vóór de uitspraak niet bekend was en redelijkerwijs niet bekend kon zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/5416 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

als bedoeld in artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet op het verzoek om herziening van:

[Verzoeker], wonende te [woonplaats] (hierna: verzoeker),

van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 29 april 2009, 08/1667 WW

in het geding in hoger beroep tussen:

verzoeker

en

de Raad van bestuut van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 4 mei 2011.

I. PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft een verzoek om herziening ingediend van de uitspraak van de Raad van 29 april 2009, 08/1667 WW en daarbij verzocht om het verzoek met toepassing van artikel 8:52 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) versneld te behandelen.

De Raad heeft het verzoek om versnelde behandeling toegewezen.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 maart 2011. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn echtgenote [naam echtgenote]. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. R.H.L. Janssen-Niehof.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Verzoeker heeft de Raad verzocht overweging 5.2 van genoemde uitspraak van 29 april 2009 te herzien. Daarin heeft de Raad geoordeeld dat het Uwv terecht geen aanleiding heeft gezien voor het aannemen van zogenoemde vrij te laten uren. Verzoeker heeft aangevoerd dat die conclusie onjuist is, omdat uit het dossier blijkt dat hij al vanaf 1988 werkzaamheden als dagbladbezorger verrichtte naast fulltime dienstverbanden.

1.2. Het Uwv heeft het standpunt ingenomen dat wat verzoeker heeft aangevoerd niet kan worden gezien als een nieuw feit in de zin van artikel 8:88 van de Awb.

2. De Raad overweegt als volgt.

2.1. Ingevolge artikel 8:88, eerste lid, van de Awb en artikel 21 van de Beroepswet kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. waren zijn bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

2.2. Uit vaste rechtspraak van de Raad blijkt dat het rechtsmiddel van herziening niet is gegeven om een hernieuwde discussie over de zaak te voeren, noch om een discussie over de betreffende uitspraak te openen. Het strekt er in beginsel toe om een rechterlijke uitspraak die berust op een naderhand onjuist gebleken feitelijk uitgangspunt te redresseren. De Raad verwijst hiervoor naar zijn uitspraken van 3 oktober 2003, LJN AN7982 en 19 november 1998, LJN ZB8180.

2.3. Het door verzoeker naar voren gebrachte feit dat uit het dossier blijkt dat hij al vanaf 1988 werkzaamheden als dagbladbezorger verrichtte naast fulltime dienstverbanden kan niet kan worden gezien als een feit dat bij hem vóór de uitspraak niet bekend was en redelijkerwijs niet bekend kon zijn. Aan de onder b van artikel 8:88, eerste lid, van de Awb genoemde voorwaarde is daarom niet voldaan. Dit leidt tot afwijzing van het verzoek om herziening.

3. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende;

Wijst het verzoek om herziening af.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en B.M. van Dun en M.A. Hoogeveen als leden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2011.

(get.) H.G. Rottier.

(get.) T.J. van der Torn.

EK