Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ3942

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-05-2011
Datum publicatie
11-05-2011
Zaaknummer
10-4502 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering onverschuldigd betaalde ZW-uitkering. Appellante is door de verzekeringsarts ten tijde van het huisbezoek vroegtijdig kenbaar gemaakt, dat hij haar per 3 juli 2006 weer geschikt achtte voor haar arbeid en dat zij niet langer recht had op een uitkering ingevolge de ZW. Geen sprake van schending van het vertrouwens- of rechtszekerheidsbeginsel. Geen dringende redenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/4502 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 24 juni 2010, 10/125 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 4 mei 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.S. Visser, advocaat te Stadskanaal, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 maart 2011. Appellante is met bijstand van mr. Visser verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.A. Vermeijden.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Aan appellante is na een ziekmelding met ingang van 10 augustus 2005 een uitkering ingevolge van de Ziektewet (ZW) verstrekt. Op 27 juni 2006 is appellante door de verzekeringsarts per 3 juli 2006 niet langer ongeschikt bevonden voor haar arbeid. Bij besluit van 30 juni 2006 heeft het Uwv appellante meegedeeld dat zij derhalve met ingang van 3 juli 2006 geen recht (meer) heeft op een uitkering ingevolge de ZW. Bij besluit van 17 juli 2007 heeft het Uwv de over de periode van 3 juli 2006 tot en met 15 april 2007 aan appellante onverschuldigd betaalde ZW-uitkering tot een bedrag van € 6.852,32 van haar teruggevorderd. Bij besluit van 11 december 2007 heeft het Uwv het bezwaar tegen beide voornoemde besluiten ongegrond verklaard.

1.2. Bij uitspraak van de rechtbank van 20 augustus 2009, 08/97, is het beroep tegen het besluit van 11 december 2007 inzake de beëindiging van ziekengeld ongegrond verklaard. De rechtbank heeft voorts het beroep voor zover dit zag op de terugvordering gegrond verklaard en heeft de vraag of de rechtsgevolgen van het in zoverre vernietigde besluit in stand konden worden gelaten onbeantwoord gelaten. Niet duidelijk was immers of een nieuwe ziekmelding van appellante per 4 juli 2006 door het Uwv was geaccepteerd en of over de gehele terugvorderingsperiode onverschuldigd was betaald. Ter uitvoering van die uitspraak heeft het Uwv na nader onderzoek bij besluit van 11 januari 2010 het bezwaar tegen het besluit van 17 juli 2007 ongegrond verklaard. Appellante heeft beroep ingesteld.

2. In de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, heeft de rechtbank overwogen dat van schending van het vertrouwensbeginsel geen sprake is en dat daarnaast niet is gebleken van dringende redenen, op grond waarvan het Uwv van terugvordering had dienen af te zien

3. De Raad, oordelend over hetgeen appellante tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, overweegt het volgende.

3.1. Gelet op voormelde uitspraak van de rechtbank van 20 augustus 2009 staat in rechte vast dat appellante van 3 juli 2006 tot en met 15 april 2007 niet ongeschikt was voor haar arbeid en dat zij geen recht had op een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW). Niet in geding is dat het Uwv over die periode aan appellante onverschuldigd ziekengeld heeft betaald. Evenmin is de hoogte van het terugvorderingsbedrag in geding. De vraag die partijen verdeeld houdt, is of het Uwv heeft gehandeld in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel en dringende redenen had moeten aannemen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

3.2. De Raad wijst er op dat volgens vaste rechtspraak van de Raad, onder meer zijn uitspraak van 1 maart 2005, LJN AT1551, een beroep op schending van het rechtszekerheidsbeginsel slechts doel kan treffen in die gevallen waarin kan worden gewezen op een ondubbelzinnige, schriftelijke mededeling van het uitvoeringsorgaan, aan welke mededeling geen onjuiste of onvolledige inlichtingen van betrokkene debet waren of dat de onjuistheid van dat standpunt door betrokkene anderszins niet had behoren te zijn onderkend.

3.3. De Raad ziet in het licht van dit toetsingskader in de onderhavige zaak geen aanknopingspunten om het standpunt van appellante te volgen dat sprake is van schending van het vertrouwens- of rechtszekerheidsbeginsel. De stelling van appellante dat zij erop mocht vertrouwen dat zij recht had op een uitkering ingevolge de ZW van 3 juli 2006 tot en met 15 april 2007, welke stelling door de Raad wordt opgevat als een beroep op het rechtszekerheidsbeginsel, wordt door de Raad niet onderschreven. Appellante kan zich niet beroepen op een ondubbelzinnige, schriftelijke mededeling van het Uwv als bedoeld onder 3.2. De Raad stelt voorts met de rechtbank vast dat appellante door de verzekeringsarts ten tijde van het huisbezoek vroegtijdig kenbaar is gemaakt, dat hij haar per 3 juli 2006 weer geschikt achtte voor haar arbeid en dat zij niet langer recht had op een uitkering ingevolge de ZW. Dat appelante zich nadien per 4 juli 2006 (opnieuw) heeft ziekgemeld onderschrijft eens te meer dat het appellante redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat zij per 3 juli 2006 geen recht meer had op ziekengeld. Van schending van het rechtszekerheidsbeginsel is naar het oordeel van de Raad dan ook geen sprake.

3.4. Tot slot is de Raad met de rechtbank, met verwijzing naar hetgeen de rechtbank hieromtrent in de aangevallen uitspraak heeft overwogen, ook niet gebleken van dringende redenen op grond waarvan het Uwv van (verdere) terugvordering had moeten afzien.

3.5. Gelet op hetgeen onder 3.1 tot en met 3.4 is overwogen, is de Raad van oordeel dat het Uwv terecht heeft besloten om tot terugvordering van het onverschuldigd betaalde bedrag tot een bedrag van € 6.852,32 over te gaan.

3.6. Uit hetgeen onder 3.1 tot en met 3.5 is overwogen, volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van proceskosten.

III.BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. Van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2011.

(get.) Ch. Van Voorst.

(get.) M. Mostert.

NW