Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ3939

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-05-2011
Datum publicatie
11-05-2011
Zaaknummer
10-4226 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling dagloon. Het Uwv heeft bij de vaststelling van het gemiddeld aantal arbeidsuren en van het dagloon de overuren van appellant terecht buiten aanmerking gelaten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/4226 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 16 juni 2010, 09/2085 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 4 mei 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L.G.M. van der Meer hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 maart 2011. Appellant is met voorafgaand bericht niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J. Steenwijk.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het Uwv van 25 juni 2009, waarbij aan hem met ingang van 29 mei 2009 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) is toegekend. Appellant heeft tegen dit besluit aangevoerd dat bij de vaststelling van de hoogte van het dagloon en van het gemiddeld aantal arbeidsuren ten onrechte geen rekening is gehouden met de door hem structureel gemaakte overuren in zijn voormalige functie van internationaal vrachtwagenchauffeur.

1.2. Bij besluit van 21 oktober 2009 heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 21 oktober 2009 ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de arbeidsovereenkomst van appellant uitgaat van een functieloon van 160 diensturen per vier weken. Tevens heeft de rechtbank, onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 29 augustus 2007 (LJN BB2803), overwogen dat vaste rechtspraak inhoudt dat uit het samenstel van bepalingen van de (toepasselijke) CAO voor het Beroepsvervoer over de weg en de verhuur van mobiele kranen volgt dat de CAO-partijen de ruimte hebben willen scheppen dat er in de sector op onregelmatige tijden, gedurende weekends en per week in wisselende omvang kan worden gewerkt, waarbij een arbeidstijd van gemiddeld veertig uur per week het uitgangspunt is. Omdat de arbeidstijd is gedefinieerd over een periode van vier weken, bestaat er in beginsel voldoende ruimte om een werknemer na terugkeer van een lange reis minder snel opnieuw in te plannen om aldus de normatieve arbeidstijd niet te zeer te overschrijden. De rechtbank had geen aanknopingspunten om dit in het geval van appellant anders te zien en concludeerde dat het Uwv bij de vaststelling van het gemiddeld aantal arbeidsuren en van het dagloon de overuren van appellant terecht buiten aanmerking heeft gelaten.

3. In hoger beroep heeft appellant herhaald dat de werkgever in zijn situatie niet tot een middeling van arbeidstijd per periode is gekomen en dat hij structureel overwerk heeft verricht. Volgens appellant is daarom ten onrechte niet uitgegaan van zijn feitelijke situatie.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Appellant heeft in hoger beroep hetzelfde aangevoerd als hij in beroep aanvoerde. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank op juiste wijze en deugdelijk gemotiveerd waarom het beroep van appellant niet slaagde. De Raad kan zich vinden in de conclusie van de rechtbank en de overwegingen die daartoe hebben geleid.

4.2. De Raad voegt hieraan toe dat het Uwv heeft vastgesteld dat het bij de berekening van de hoogte van de WW-uitkering van appellant in aanmerking genomen loon (in de referteperiode) overeenkomt met het loon dat volgens de opgave van de werkgever in deze periode aan appellant is uitbetaald. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld in zijn uitspraak van 30 maart 2006, LJN AW5235) ligt het op de weg van de werknemer die pretendeert méér loon ontvangen te hebben dan is vermeld in de administratie van de werkgever, om toereikend bewijs te leveren voor deze stelling. Dit geldt ook indien volgens de werknemer in de referteperiode te weinig loon is uitbetaald. Appellant is ook in hoger beroep niet geslaagd in het leveren van dat bewijs.

4.3. Gelet op het vorenstaande dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en B.M. van Dun en M.A. Hoogeveen als leden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 mei 2011.

(get.) H.G. Rottier.

(get.) T.J. van der Torn.

EK