Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ3800

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-05-2011
Datum publicatie
10-05-2011
Zaaknummer
10-3381 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1) Opleggen loonsanctie berust op goede gronden. Geen strijd met art. 6 EVRM. Het Uwv heeft op basis van de beschikbare gegevens terecht geconcludeerd dat appellante als werkgeefster zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. 2) Weigering loonsanctie te verkorten. Het Uwv heeft op basis van de beschikbare gegevens terecht geconcludeerd dat appellante als werkgeefster haar tekortkomingen in haar re-integratie-inspanningen niet heeft hersteld, zodat het besluit tot het weigeren van het verkorten van de loonsanctie in rechte stand kan houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2011/213
USZ 2011/156
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/3381 WIA en 10/3382 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[Appellante], gevestigd te [Vestigingsplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraken van de rechtbank Maastricht van 3 mei 2010, 08/1655 (hierna: aangevallen uitspraak 1) en van 3 mei 2010, 09/332 (hierna: aangevallen uitspraak 2),

in de gedingen tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Aan deze gedingen heeft tevens als partij deelgenomen P.L.M.A. Wijshoff, wonende te Geleen (hierna: werknemer).

Datum uitspraak: 4 mei 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.J.T.J. Meuwissen, advocaat te Maasbracht, tegen beide aangevallen uitspraken hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Namens de werknemer heeft mr. P.H.M. Hartmans, advocaat te Margraten, een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Het onderzoek ter zitting heeft in beide gedingen gevoegd plaatsgevonden op 23 maart 2011. Namens appellante was J.P.J.G. Leenders, algemeen directeur, aanwezig, bijgestaan door mr. Meuwissen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.H.G. Boelen. Werknemer en zijn gemachtigde zijn met voorafgaand bericht niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 29 mei 2008 heeft het Uwv het tijdvak waarin werknemer jegens appellante als werkgeefster recht heeft op loon tijdens ziekte, verlengd met 52 weken. Die verlenging - ook wel kortweg loonsanctie genoemd - is opgelegd in aansluiting op de afloop van de normale wachttijd van 104 weken en op de grond dat door appellante zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen zijn verricht. Daarbij heeft het Uwv toepassing gegeven aan artikel 25, negende lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), in verbinding met artikel 65, eerste lid, van de Wet WIA.

1.2. Appellante heeft tegen het besluit van 29 mei 2008 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 4 september 2008 (hierna: bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar, onder verwijzing naar de rapportage van bezwaararbeidsdeskundige F.C. Schrijer van 22 augustus 2008, ongegrond verklaard.

1.3. Bij besluit van 11 september 2008 heeft het Uwv op het verzoek van appellante van 26 augustus 2008 tot het verkorten van de loonsanctie afwijzend beslist, omdat de tekortkoming in de re-integratie-inspanning nog niet was hersteld.

1.4. Appellante heeft tegen het besluit van 11 september 2008 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 6 februari 2009 (hierna: bestreden besluit 2) heeft het Uwv dit bezwaar, onder verwijzing naar de rapportage van bezwaararbeidsdeskundige Schrijer van 6 februari 2009, ongegrond verklaard.

2.1. Bij de aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit 1 ongegrond verklaard en het verzoek om het Uwv te veroordelen tot schadevergoeding afgewezen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat van een bevredigend resultaat geen sprake was en dat door appellante onvoldoende re-integratie-inspanningen zijn verricht. Naar het oordeel van de rechtbank had het op basis van de brieven van de bedrijfsarts voor appellante genoegzaam duidelijk kunnen en moeten zijn dat inspanningen in het kader van werkhervatting bij een andere werkgever eerder, en dus niet pas in de loop van 2008, hadden dienen te worden verricht. Van een deugdelijke grond om onvoldoende re-integratie-inspanningen te verrichten is de rechtbank niet gebleken.

2.2. Bij de aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit 2 ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat van werkhervatting met een structureel karakter binnen het eigen bedrijf van appellante geen sprake was en dat appellante de werknemer evenmin met diens toestemming buiten het eigen bedrijf heeft geplaatst. De rechtbank heeft voorts overwogen dat niet is gebleken van een afgerond adequaat re-integratietraject naar ander werk bij een andere werkgever. Het enkel laten verrichten van re-integratie-onderzoek achtte de rechtbank onvoldoende om te spreken van een afgerond re-integratietraject. De rechtbank heeft dan ook geoordeeld dat appellante haar tekortkomingen in de re-integratie-inspanningen niet voldoende heeft hersteld.

3.1. In hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak 1 heeft appellante, onder verwijzing naar hetgeen zij reeds in bezwaar en beroep heeft aangevoerd, gesteld dat zij diende af te gaan op de arbo-arts en dat deze achteraf bezien door de werknemer aan het lijntje is gehouden. Voorts stelt zij zich op het standpunt dat zowel door het Uwv als door de rechtbank onvoldoende is onderzocht waarom de belastbaarheid van de werknemer pas in een laat stadium is vastgesteld. Het arbeidsdeskundig onderzoek vindt zij onvoldoende, omdat de arbeidsdeskundige en de bezwaararbeidsdeskundige zich teveel hebben laten leiden door de opmerkingen van de werknemer in plaats van de arbo-arts te horen.

3.2. In hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak 2 heeft appellante, onder verwijzing naar hetgeen zij reeds in bezwaar en beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden herhaald die zij ook tegen de aangevallen uitspraak 1 heeft aangevoerd.

3.3. In het verweerschrift heeft het Uwv gesteld dat zij bij de voorbereiding van de bestreden besluiten volledig en voldoende onderzoek heeft gedaan en dat de door appellante aangevoerde argumenten geen aanleiding geven om terug te komen op de eerder ingenomen standpunten. Er wordt dan ook verzocht om de aangevallen uitspraken te bevestigen.

4. De Raad, oordelend over hetgeen appellante tegen de aangevallen uitspraken heeft aangevoerd, overweegt het volgende.10/3381 WIA (opleggen van de loonsanctie)

4.1. Gezien de standpunten van partijen is in hoger beroep in geschil of het Uwv terecht het tijdvak waarin de werkneemster recht heeft op loon tijdens ziekte met 52 weken heeft verlengd. Daarbij spitst het geschil zich toe op de vraag of sprake is geweest van onvoldoende re-integratie-inspanningen door appellante, als bedoeld in artikel 25, negende lid, van de Wet WIA.

4.2. Het standpunt van het Uwv dat appellante onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht, is gebaseerd op de conclusies in de rapportages van de arbeidsdeskundige C.A. Rienties van 19 mei 2008 en van de bezwaararbeidsdeskundige Schrijer van 22 augustus 2008. De arbeidsdeskundige heeft in zijn rapportage geconcludeerd dat geen sprake is van een bevredigend re-integratieresultaat, omdat werknemer niet werkt en hij in principe reeds lange tijd in staat was passende werkzaamheden te verrichten. De inspanningen van appellante acht hij onvoldoende omdat, indien het haar duidelijk was dat herplaatsing in het eigen bedrijf niet mogelijk was, reeds in een vroeg stadium het tweede spoor had kunnen en moeten worden opgestart. Hij stelt zich op het standpunt dat appellante geen deugdelijke grond had om de re-integratie niet op te starten, omdat de arbodienst in ieder geval in juni 2007 al aangaf dat werknemer op dat moment nog gedeeltelijk arbeidsongeschikt was en dat hij in staat was tot werken in aangepaste vorm. De bezwaararbeidsdeskundige heeft in zijn rapportage het standpunt van de arbeidsdeskundige onderschreven, omdat appellante onvoldoende heeft gemotiveerd waarom er geen bevredigend re-integratieresultaat is behaald en waarom activiteiten die in redelijkheid hadden kunnen en mogen worden verwacht niet zijn verricht.

4.3. De Raad overweegt dat de stukken voldoende steun bieden voor de het standpunt van het Uwv dat appellante onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. In dit verband wijst de Raad onder meer op het advies van de bedrijfsarts van 12 juni 2007, die werknemer op dat moment nog gedeeltelijk arbeidsongeschikt achtte en die adviseerde voorlopig nog door te gaan met het thuiswerk dat werknemer sinds 28 augustus 2006 (kort na zijn uitval op 21 augustus 2006) gedurende 30 uur per week verrichtte. Ook in de eerstejaarsevaluatie van het plan van aanpak van 15 augustus 2007 blijkt dat de werknemer nog benutbare mogelijkheden had. Uit het actueel oordeel van 28 maart 2008 blijkt dat een arbeidsdeskundig onderzoek werd geadviseerd met betrekking tot de mogelijkheden in het eerste of het tweede spoor. Gezien het niet structurele karakter van het thuiswerk had appellante in een vroeg stadium het tweede spoortraject dienen op te starten. De Raad is van oordeel dat de rapporten van de (bezwaar)arbeidsdeskundige zorgvuldig tot stand zijn gekomen en inhoudelijk overtuigend zijn gemotiveerd. Gelet hierop heeft het Uwv naar het oordeel van de Raad terecht geconcludeerd dat appellante onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht en dat hiervoor geen deugdelijke grond aanwezig is.

4.4. Met betrekking tot het standpunt van appellante dat zij steeds de adviezen van haar bedrijfsarts heeft gevolgd en dat zij niet aansprakelijk is voor de mogelijke tekortkomingen daarvan, verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 18 november 2009, LJN BK3713, waarin hij heeft geoordeeld dat het Uwv er terecht van uitgaat dat de verantwoordelijkheid voor de re-integratie bij appellante is gelegen. In hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, ziet de Raad geen aanleiding tot een andersluidend oordeel te komen.

4.5. Naar aanleiding van de ter zitting door appellante nader toegelichte beroepsgronden overweegt de Raad het volgende. Het standpunt van appellante dat het gerechtshof ’s-Hertogenbosch in zijn arrest van 11 augustus 2009 in hoger beroep het vonnis van 10 november 2008 van de rechtbank Roermond, sector kanton - waarbij de loonvordering van werknemer is afgewezen omdat appellante hem passend werk heeft aangeboden - heeft bekrachtigd kan naar het oordeel van de Raad niet tot de conclusie leiden dat appellante voldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. Deze werkzaamheden zijn pas tegen het einde van de wachttijd zijn aangeboden en niet is gebleken dat deze werkzaamheden een structureel karakter droegen. Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 29 september 2010, LJN BN8780, is de Raad voorts van oordeel dat ook de door appellante aangevoerde grond dat de werknemer geen benutbare mogelijkheden had, omdat hem op basis van ongewijzigde medische gegevens met ingang van 19 augustus 2009 een loongerelateerde WGA-uitkering is toegekend niet kan slagen nu deze beoordeling achteraf heeft plaatsgevonden op basis van andere maatstaven dan in dit geding aan de orde. Daaruit kunnen derhalve geen conclusies worden getrokken met betrekking tot beantwoording van de vraag of appellante in de hier relevante periode voldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. Het standpunt van appellante dat de systematiek van de loonsanctie in strijd is met artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) slaagt evenmin. De Raad volstaat in dit verband met een verwijzing naar zijn uitspraak van 28 oktober 2009, LJN BK1570. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Raad geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen.

4.6. Uit hetgeen onder 4.1 tot en met 4.5 is overwogen, volgt dat de Raad van oordeel is dat het Uwv op basis van de beschikbare gegevens terecht heeft geconcludeerd dat appellante als werkgeefster zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht en dat het besluit tot oplegging van de loonsanctie mitsdien in rechte stand kan houden. Dat leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak 1 dient te worden bevestigd.

10/3382 WIA (weigering verkorten loonsanctie)

5.1. Gezien de standpunten van partijen is in hoger beroep in geschil of het Uwv op grond van artikel 25, twaalfde lid, van de Wet WIA terecht heeft geweigerd de periode van de loonsanctie van 52 weken te verkorten. Daarbij spitst het geschil zich toe op de vraag of appellante haar tekortkomingen in haar re-integratie-inspanningen heeft hersteld.

5.2. Het standpunt van het Uwv dat appellante de tekortkomingen in haar re-integratie-inspanningen niet heeft hersteld, is gebaseerd op de conclusies in de rapportages van de arbeidsdeskundige Rienties van 9 september 2008 en van de bezwaararbeidsdeskundige Schrijer van 6 februari 2009. De arbeidsdeskundige heeft in zijn rapportage geconcludeerd dat appellante niet duidelijk heeft gemaakt dat de werknemer in de opgelegde sanctieperiode niet belastbaar was. De bezwaararbeidsdeskundige heeft daar in zijn rapportage aan toegevoegd dat de periode van de loonsanctie niet kan worden verkort, omdat de werknemer niet structureel werkzaam is bij de eigen of een andere werkgever (met een loonwaarde van ten minste 65% van het oorspronkelijke loon) en dat geen (adequaat) re-integratietraject naar ander werk bij een andere werkgever is afgerond.

5.3. De Raad overweegt dat de stukken voldoende steun bieden voor het standpunt van het Uwv dat appellante de tekortkomingen in haar re-integratie-inspanningen niet heeft hersteld. Uit de voorhanden gegevens blijkt dat werknemer zich op 7 juli 2008 weer heeft ziek gemeld en dat appellante daarvan op de hoogte was tijdens de hoorzitting in bezwaar tegen het besluit tot het opleggen van de loonsanctie, waarbij de werknemer door de arbodienst voorlopig naar de toekomst volledig arbeidsongeschikt werd geacht. Daaruit heeft de arbeidsdeskundige naar het oordeel van de Raad terecht geconcludeerd dat de werknemer op redelijke termijn mogelijk weer belastbaar is Het tijdelijk, maar niet duurzaam, niet beschikken over arbeidsmogelijkheden (voorlopige arbeidsongeschiktheid), behoeft de re-integratie immers niet in de weg te staan omdat appellante dan de nodige re-integratie-activiteiten kan ondernemen. Nu de werknemer niet is gekomen tot een (gedeeltelijke) werkhervatting met een structureel karakter, die min of meer aansluit bij de resterende functionele mogelijkheden van de werknemer is er geen sprake van een bevredigend resultaat.

5.4. Uit hetgeen onder 5.1 tot en met 5.3 is overwogen, volgt dat de Raad van oordeel is dat het Uwv op basis van de beschikbare gegevens terecht heeft geconcludeerd dat appellante als werkgeefster haar tekortkomingen in haar re-integratie-inspanningen niet heeft hersteld en dat het besluit tot het weigeren van het verkorten van de loonsanctie mitsdien in rechte stand kan houden. Dat leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak 2 dient te worden bevestigd.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2011.

(get.) Ch. Van Voorst.

(get.) M. Mostert.

KR